Wil je eerst nog even weten hoe het ook alweer zit met het placebo-effect? Klik hier voor een video-uitleg in 2:57.

De short-short version ;)

 

Onderstaande tekst is een (snelle) vertaling van dit artikel.

Kunnen angstige gedachten je schaden? Penny Sarchet, winnares van de 2011 Welcome Trust Science Writing Prize, schreef over het nocebo-effect.

Kan het iemand zijn leven kosten wanneer je hem verteld dat hij kanker heeft? In 1992 beschreef het Southern Medical Journal een casus waarin een man in 1973 werd gediagnosticeerd met kanker en werd verteld dat hij nog slechts enkele maanden te leven had. Na zijn dood liet de autopsie echter zien dat de tumor in zijn lever niet gegroeid was. Zijn arts Clifton Meador gelooft niet dat hij gestorven is aan kanker en schreef: “Ik weet niet wat de pathologische oorzaak van zijn dood is”. Kan het zijn dat, in plaats van de kanker, zijn eigen verwachting van zijn dood hetgeen was dat hem doodde?

Deze dood kan een extreem voorbeeld zijn van het ‘nocebo-effect’ – de tegenhanger van het bekendere placebo-effect. Terwijl een onwerkzame suikerpil (placebo) je beter kan doen voelen, kunnen waarschuwingen over gefantaseerde bijwerkingen (nocebo) je die ook doen voelen. Dit is een veel voorkomend probleem in farmaceutische onderzoeken en een onderzoek uit de jaren 1980 ontdekte dat hartpatiënten veel meer kans hadden op bijwerkingen van hun bloedverdunnende medicatie wanneer ze eerst waren gewaarschuwd voor die bijwerkingen. Dit geeft een ethisch probleem: moeten artsen hun patiënten waarschuwen voor bijwerkingen wanneer die waarschuwing ze daar juist meer kans op geeft?

Het nocebo-effect kan zeer besmettelijk zijn. In 1962 ondervonden 62 medewerkers van een Amerikaanse kledingmakerij plotseling hoofdpijnen, misselijkheid en uitslag, en de schuld van de uitbraak werd gegeven aan een insect dat tussen de stoffen had gezeten na levering vanuit Engeland. Er werd nooit een insect gevonden en “massale psychogene ziekte” (massahysterie) zoals deze, komt wereldwijd voor, meestal bij besloten gemeenschappen en verspreiding vindt het snelst plaats onder vrouwen die iemand met de symptomen hebben gezien.

Tot voor kort wisten we vrij weinig over hoe het nocebo-effect werkt. Tegenwoordig zijn wetenschappers een flink stuk opgeschoten. Afgelopen februari liet een Engels onderzoek, uitgevoerd door prof. Irene Tracey (Oxford), zien dat wanneer vrijwilligers nocebopijn voelen, de overeenkomende hersenactiviteit zichtbaar is in een mri-scanner. Dat toont aan dat, in elk geval op neurologisch niveau, de vrijwilligers reageren op echte, niet-gefantaseerde, pijn. Fabrizio Benedetti, van de Universiteit van Turijn, en zijn collega’s zijn erachter gekomen welke neurotransmitter verantwoordelijk is voor het omzetten van de verwachting van pijn in deze echte pijnervaring. De neurotransmitter heet cholecystokinine en draagt berichten tussen zenuwcellen over. Als er drugs gebruikt worden om de cholecystokinine te stoppen met functioneren, dan voelen de vrijwilligers geen nocebopijn, terwijl ze wel nog net zo bang voor de verwachte pijn zijn.

De bevindingen van Benedetti en Tracey bieden niet alleen de eerste vluchtige blikken in de onderliggende neurologische werking van het nocebo-effect, maar hebben ook ook zeer reële medische implicaties. Benedetti’s onderzoek naar het blokkeren van cholecystokinine kan de weg vrij maken voor technieken die het nocebo-effect teniet doen bij medische ingrepen, alsook mogelijkheden geeft voor algemene behandelingen van pijn en angst. Traceys werk heeft verrassende implicaties voor de manier waarop we moderne geneeskunde uitoefenen. Door het monitoren van pijnniveaus in vrijwilligers die een sterke pijnstiller hadden gekregen, ontdekten ze dat wanneer de vrijwilliger verteld werd dat het effect van de pijnstiller voorbij was, dit al genoeg was om het pijnniveau ter herstellen naar het niveau van vóór het toedienen van de pijnstiller. Dit toont aan dat de negatieve verwachtingen van een patiënt de mogelijkheid hebben om de effectiviteit van een behandeling te ondermijnen, en suggereert dat artsen er goed aan doen om de overtuigingen van hun patiënten ook te behandelen, en niet alleen hun fysieke symptomen.

Dit plaatst de arts-patiëntrelatie in de schijnwerpers. De huidige samenleving klaagt snel aan en is skeptisch, en als een arts wat meer nadruk legt op bijwerkingen om te voorkomen aangeklaagd te worden, of wanneer patiënten de beslissingen van hun arts niet vertrouwen, dan kan het nocebo-effect een behandeling al doen falen nog voordat deze is begonnen. Het introduceert ook een paradox – we moeten in onze artsen geloven om volledig baat te hebben bij de voorgeschreven behandeling, maar als we ze te sterk vertrouwen kunnen we dood gaan van hun uitspraken.

Tegenwoordig zijn veel van de snel groeiende ziektes relatief nieuw en slechts gekarakteriseerd op basis van een verzameling klachten. Allergieën, voedselintoleranties en rugpijn zouden in de ene gemakkelijk echte fysiologische ziektes kunnen zijn, en nocebo-effecten in de ander. Meer dan een eeuw geleden ontdekten artsen dat ze het niezen door mensen met hooikoorts konden opwekken door het blootstellen aan een kunstroos. Dit soort observaties suggereren dat we wel twee keer moeten nadenken voordat we de menselijke ervaring overmedicaliseren. Onze dagelijkse zorgen zouden als zodanig beschouwd moeten worden, en niet verzameld in psychologische syndromen met reeksen van symptomen, en gezondheidswaarschuwingen op nieuwe producten moeten begrensd en nauwkeurig zijn, niet vaag en algemeen zodat fabrikanten afstand kunnen doen van hun aansprakelijkheid.

Bovenstaande tekst is een (snelle) vertaling van dit artikel.