Op een herfstige zaterdag (7 okt 2017) vond in het Betuwse kerkdorp Opheusden het congres De waarde van de schepping voor wetenschapsbeoefening en ethiek plaats. Het congres werd georganiseerd door het Logos instituut, een kerkelijke club wetenschappers die zich ten doel stelt om medechristenen van informatie te voorzien. Vanuit dezelfde gedachte wordt bijvoorbeeld het Weet Magazine uitgegeven, wat de leukste ontdekkingen uit natuur, techniek en wetenschap vanuit een christelijk perspectief beschrijft.

Uit het persbericht van het congres: Veel christenen zien dat wat de Bijbel ons vertelt in Genesis niet meer als historisch betrouwbaar. Zij zijn ingepakt door het ‘christelijke verlichtingsdenken’, een contradictio in terminis. Binnen scholen en universiteiten wordt het evolutiedogma gepresenteerd als ‘de waarheid’. Vanuit de Schrift bezien is dit dogma niet te rijmen met de dogma’s van een recente schepping van de aarde, een historische zondeval en een wereldwijde zondvloed.

Promo van het congres, copyright @ Oorsprong.info

Het congres werd goed bezocht; er waren een paar honderd aanwezigen. Ik had de indruk dat dit beslist niet alleen rabiate fundamentalisten waren, maar merendeels gewone (gereformeerde) christenen die geloven in de Bijbel (het liefst zo letterlijk mogelijk), en tegelijk worstelen met de vraag hoe zij dit moeten rijmen met de ontdekkingen en uitspraken van de moderne wetenschap. Dit publiek werd een gevarieerd programma geboden, bestaande uit twaalf lezingen gevolgd door discussie, in twee verschillende zalen. Noodgedwongen heb ik een selectie gemaakt.

Het christelijk geloof als katalysator van de wetenschap
Als eerste schetste Piet Bouma, projectdirecteur aan de Rijksuniversiteit Groningen, het ontstaan van de westerse wetenschap. Zijn stelling is dat de moderne wetenschap noodzakelijkerwijs alleen in het christelijke 16e eeuwse Europa kon ontstaan, omdat God zowel de wereld als de mens geschapen heeft. Hierdoor zien en begrijpen wij de wereld zoals die echt is. Dit wordt ook wel de leer van Gods twee boeken genoemd (de Bijbel en het boek van de Natuur). Ter illustraite verwees hij naar het intrigerende feit dat de wiskunde, een zuiver menselijk product, de buiten-menselijke werkelijkheid telkens verrassend goed weet te beschrijven.

Het christelijk geloof heeft volgens Bouma als een katalysator voor de ontwikkeling van de wetenschap gewerkt. Het atheisme werkt juist belemmerend, omdat de wereld voor een atheist geen zin en betekenis heeft. Iedereen denkt in dit verband onmiddellijk aan de vervolging van Galilei Galileo door de katholieke kerk, maar volgens Bouma is dit dan ook de enige wetenschapper die vanwege zijn wetenschappelijke uitspraken door de kerk vervolgd is. (De filosoof Giordano Bruno belandde uiteindelijk op de brandstapel, maar dit was vanwege zijn theologische uitspraken).

De Bijbel en de evolutieleer: een moeizaam compromis?
Vervolgens hield predikant M.J.Paul, directeur van de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Bond, een bespreking van het boek En de aarde bracht voort van Gijsbert van den Brink, waarin geprobeerd wordt om uitspraken in de Bijbel met de evolutieleer te verzoenen. Paul vindt het boek niet overtuigend. Hij illustreerde zijn betoog met zeker twintig citaten uit Bijbel en psalmen, waarvan de finesses mij vanwege mijn beperkte bijbelkennis ontgingen. Maar het was wel duidelijk dat Van den Brink de Bijbel niet goed genoeg gelezen heeft.

Als belangrijk argument werd nog genoemd dat het door Darwin beschreven evolutieproces ‘wreed en onpersoonlijk’ is; dit in tegenstelling tot Gods genade. Tijdens de hierop volgende discussie voerde een toehoorder aan, dat in de Bijbel toch ook veel (wreed) lijden en ziekte voorkomt. De predikant antwoordde dat deze dingen geen onderdeel vormen van Gods (volmaakte) schepping, maar zijn veroorzaakt door de menselijke zondeval.

Creationistische argumenten in de (micro)biologie
Peter Borger, gepromoveerd medisch bioloog, gaf vervolgens een overzicht van de argumenten die vanuit de (micro)biologie tegen de evolutietheorie aangevoerd kunnen worden. Van deze voordracht verwachtte ik het meest, omdat Borger uitspraken doet waarover een serieuze discussie mogelijk is. Zie bijvoorbeeld het artikel De wetenschappelijke dwaalwegen van een creationistisch bioloog van Bart Klink, te vinden op de website www.deatheist.nl.

Het liep echter op een enorme teleurstelling uit. Borger bracht inderdaad een groot aantal argumenten uit een door hem geschreven boek ter sprake, maar deed dit in een absurd hoog tempo, met elke drie seconden een nieuwe ingewikkelde slide over een specialistisch onderwerp, dat hij blijkbaar bij zijn gehoor bekend veronderstelde. Het publiek zat mijns inziens met de oren te klapperen en kon het alleen verbijsterd over zich heen laten komen.

Wat mijzelf betreft zijn Borgers opvattingen afdoende weerlegd door het bovengenoemde artikel van Bart Klink. Omdat ik zelf geen bioloog ben heb ik ervan afgezien om met Borger in discussie te gaan. Zijn voordracht bood daar ook nauwelijks ruimte voor.

Drie soorten verandering
Volgens W.M. de Jong, ‘adviseur Innovatie en Verandering’, is de evolutietheorie gebouwd op het idee dat een opeenvolging van veel kleine veranderingen (mutaties) tot een grote verandering kan leiden. Hierbij wordt volgens hem genegeerd dat niet alle veranderingen hetzelfde zijn. De Jong onderscheidt drie soorten: variatie, innovatie (er komt een dimensie bij; een wezenlijke verandering) en degeneratie (het omgekeerde).

Variatie (mutatie) kan nooit innovatie teweegbrengen; daarvoor moet er energie worden toegevoegd. In de natuur blijkt echter het omgekeerde: ingewikkelde moleculen hebben de neiging om uiteen te vallen (zie het begrip ‘entropie’ uit de thermodynamica). Omdat de evolutietheorie dit niet onderkent, is evolutie voor de Jong ‘geen robuust wetenschappelijk begrip’. Het zij zo.

Wetenschappelijke munitie
In de middag verhuisde een groot deel van het publiek naar de bovenverdieping, waar twee wetenschappelijk opgeleide sprekers de Bijbelse informatie over de leeftijd van de aarde en de zondvloed natuurkundig probeerden te onderbouwen.

Het bovenzaaltje was afgeladen vol. De mensen zaten bijna tot in de gordijnen. Zo groot is blijkbaar de honger naar wetenschappelijke feiten die een letterlijke lezing van de Bijbel lijken te bevestigen. Wetenschappelijke feiten die dat niet doen werden door de inleiders buiten beschouwing gelaten.

Hoe oud is ons zonnestelsel?
Gert-Jan van Heugten, scheikundig technoloog verbonden aan het Logos instituut, verzorgde een tour van het zonnestelsel en noemde bij elk hemellichaam een wetenschappelijke bevinding die in tegenspraak lijkt te zijn met de algemeen veronderstelde ouderdom ervan. Voorbeelden hiervan zijn: de faint young sun paradox (de onopgeloste vraag hoe het leven zich miljarden jaren kon ontwikkelen terwijl de zon maar 70% van de huidige hoeveelheid energie produceerde); afname van het magnetisch veld van Mercurius, veranderingen in de afstand aarde-maan, het feit dat de ringen van Saturnus pas 50 miljoen jaar oud zijn, etc).

Van Heugten kwam op mij over als een bevlogen bekeerder, voor wie zijn Bijbelse boodschap op de eerste plaats komt, en die daarbij natuurwetenschappelijke feiten bijeen zoekt om die boodschap te onderbouwen (en de rest buiten beschouwing laat).

Wat gebeurde er tijdens de zondvloed?
In creationistische hoek zijn een aantal modellen ontwikkeld die het Bijbelse zondvloedverhaal geologisch proberen te onderbouwen. Als mogelijke oorzaak voor de zondvloed worden o.a. genoemd: een regen van meteorietinslagen (Michael Oard), en een catastrofale platentectoniek (John Baumgardner). Beide modellen kampen met het probleem, dat volgens de daarin beschreven scenarios er zoveel hitte moet zijn vrijgekomen dat Noach geen schijn van kans had gehad om te overleven.

Ingenieur M. ’t Hart (geen familie van de gelijknamige schrijver) hield een betoog waarin hij probeerde beide modellen te combineren en het hitteprobleem op te lossen.  Hij bespaarde zijn gehoor daarbij geen technische details, maar wist zijn voordracht toch helder en neutraal te houden, voortdurend benadrukkend dat het volgens hem zo gebeurd zou kunnen zijn, maar dat hij er uiteraard niet bij was (in tegenstelling tot het ‘ooggetuigenverslag’ van Noach in de Bijbel, wat de aanwezigen als letterlijk waar beschouwen).

Om een probleem te noemen: de veronderstelde meteorietinslagen ‘ten tijde van de zondvloed’ kunnen zich nooit verspreid over de gehele aarde voorgedaan hebben, want dan had Noach geen schijn van kans gehad om te overleven. De meteorieten moeten dus aan één kant van de aarde (het westelijk halfrond) zijn ingeslagen. Hoe waarschijnlijk is dat? Zijn er planeten die een vergelijkbaar patroon van inslagen vertonen?

In de hierop volgende discussie werd gevraagd of de meteorietenregen onderdeel was van Gods volmaakte schepping, of dat deze veroorzaakt werd door de menselijke zondeval.

Ik ga verder niet in op de details van het zondvloedmodel van ’t Hart. Een laatste punt: hij besteedde wat aandacht aan de verschillende manieren waarop magma zich bij een vulkaanuitbarsting kan verspreiden. Afhankelijk van de dichtheid van het magma kan het naar boven gaan (de atmosfeer in), maar het kan ook naar beneden gaan (de aardkorst in). Ter onderbouwing van zijn model toonde ’t Hart plaatjes waarop te zien is dat diep onder relevante vulkanen inderdaad een grote ‘pluim’ magma zit (wat in overeenstemming is met zijn model).

Toen een van de aanwezigen hierop vroeg hoe hij weet dat God die pluim niet al bij de schepping geschapen heeft (zodat hij niet tijdens de zondvloed is ontstaan), moest hij het antwoord schuldig blijven.

Tot slot
Ik heb een interessante dag gehad. Veel aanwezigen zullen naar huis zijn gedaan met het idee dat zij weliswaar niet alles begrepen hebben (ik ook niet), maar dat er wel degelijk wetenschappelijke argumenten zijn om aan de evolutietheorie te twijfelen.

Wat zij daarbij mijns inziens uit het oog verliezen is dat de door de sprekers aangevoerde problemen best reëel kunnen zijn (een dergelijk debat is onderdeel van het normale wetenschappelijke proces), maar dat dat nog geen reden is om dus het Bijbelverhaal tot letterlijke waarheid te verklaren.