Hoe absoluut is het medisch beroepsgeheim? 1

Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Vivian Oei.

Hoe absoluut is het medisch beroepsgeheim?

De minister van VWS overweegt aanpassing van de wet om het artsen gemakkelijker te maken hun beroepsgeheim te doorbreken. Dat zou noodzakelijk zijn om over criminelen, die steeds vaker weigeren een observatie in een tbs-kliniek te ondergaan, van eerdere behandelaars toch gegevens te verkrijgen over hun geestelijke gezondheid. Een tweede categorie waaraan de minister denkt betreft verzekeringsfraude door het simuleren van arbeidsongeschiktheid, in welk geval de UWV-arts gegevens aan justitie zou moeten verstrekken. De KNMG is tegen een aanpassing van de wet en meent dat de beroepsgroep zelf criteria kan formuleren waaraan moet worden voldaan, zodat doorbreking van de geheimhoudingsplicht de arts niet meer in contact met de tuchtrechter hoeft te brengen. De artseneed noemt de geheimhoudingsplicht expliciet, maar de KNMG billijkt reeds lang uitzonderingen als er sprake is van kindermishandeling, geweld of fraude. De geheimhoudingsplicht dient om de toegankelijkheid van de individuele zorg niet te belemmeren, maar de arts heeft ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid tegenover derden of het collectief.

Deze discussie brengt bij mij herinneringen boven aan de populariteit van dr. Houtsmuller, een gepensioneerd internist, die in het laatste decennium van de vorige eeuw grote bekendheid genoot als kankerdokter en in die hoedanigheid werd gerespecteerd door het KWF en een boek kreeg uitgegeven bij de wetenschappelijke uitgeverij Bohn Stafleu Van Loghum. Met zijn Houtsmullerdieet, zijn medicamenteuze ‘kankerremmers’ en haaienkraakbeen zou hij verrassende resultaten hebben geboekt bij opgegeven kankerpatiënten en hijzelf zou het levende bewijs zijn. In alle interviews en in al zijn boeken kwam hij met het verhaal dat hij in 1981 was opgegeven als gevolg van een uitgezaaide vorm van huidkanker, maar zichzelf vervolgens had genezen met een zelf ontdekte methode. Zijn behandelend artsen uit 1980/1981 wisten dat het verhaal niet klopte en moesten knarsetandend toezien hoe Houtsmullers ster rees en hoe steeds meer kankerpatiënten de onsmakelijke en kostbare Houtsmullertherapie gingen volgen. Toen Houtsmuller door het KWF als feestredenaar werd gevraagd op hun 50-jarig jubileum, toen hielden zij het niet langer en besloten zij te gaan lekken en zo kwam mij ter ore dat Houtsmuller loog over zijn ziektegeschiedenis en nooit aan uitzaaiingen van zijn huidtumortje had geleden. Ik lichtte het KWF in, zocht de publiciteit, daagde hem uit zijn medisch dossier door een onafhankelijk oncoloog te laten beoordelen en in een rechtstreekse confrontatie met hem in Barend & Witteman op 22 maart 1999 moest hij stamelend toegeven dat ik gelijk had en dat e.e.a. op een ‘misverstand’ had berust. Hij wist dat ‘al enige tijd’, maar had ook daarna zijn flutboeken steeds laten bijdrukken zonder het leugenachtige verhaal over zijn ziektegeschiedenis te corrigeren.

In een door hem aangespannen  rechtszaak met een ontgoochelende afloop werd Houtsmuller eerst in het ongelijk gesteld, maar later gesauveerd en werd mij in oktober 2000 vervolgens verboden hem leugenaar of kwakzalver te noemen. De dwangsom in geval van overtreding bedroeg 10.000 gulden. Heel treurig, maar mijn tevredenheid overheerste. Doorbreking van het beroepsgeheim door enkele medici, dat hen ongetwijfeld zwaar is gevallen, had er in elk geval voor gezorgd dat steeds minder kankerpatiënten hun toch al zware leven ook nog eens lieten vergallen door een vies dieet en het slikken van wel 20 pillen per dag tegen niet geringe kosten. Het medisch beroepsgeheim is een groot goed, maar absoluut is het beslist niet.