Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Klaas Jaarsma

Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Klaas Jaarsma

Medisch Contact van 20 juli ruimde maar liefst 5 pagina’s, waaronder de coverfoto, in voor een ‘zomer-interview’ van Henk Maassen met Jeroen Geurts. Een snelle blik op het bijgeleverde CV maakt duidelijk dat het om een bijzonder persoon gaat: opgeleid als neurobioloog, nu MS-onderzoeker, lid van de KNAW, hoogleraar aan de VU, sinds 2016 columnist van NRC-wetenschap en sinds dit jaar bestuursvoorzitter van ZonMw. En nog maar 41 jaar oud. Zijn voorganger bij ZonMw was Pauline Meurs en deze had een uitgesproken pro-alternatief profiel met haar liefde voor pluriforme wetenschap en haar onwil om ook maar iets te ondernemen tegen de diverse ZonMw-signalementen over ‘complementaire geneeswijzen’, een onwil die haar de Meester Kackadorisprijs 2015 opleverde.

Zou Geurts die koers voortzetten of slaagt hij erin die broeierige initiatieven de kop in te drukken? Op een beantwoording van die vraag zullen wij nog even moeten wachten: dat onderwerp komt in het interview niet aan de orde. Vanuit mijn eigen preoccupaties was ik verder benieuwd naar zijn opvattingen over alternatieve geneeswijzen, over modeziekten en over de invulling van zijn NRC-column.

Over zijn uitverkiezing als NRC-columnist: zou hij als opvolger van Piet Borst, die die plek 20 jaar geleden van wijlen Dunning overnam, op die invloedrijke plek in de NRC wel een unverfroren regulier standpunt gaan innemen? Beide eminente voorgangers deden dat zeker wel. Ik werd bij het lezen van de inleidende woorden in het interview op dit punt enigszins gealarmeerd door de aankondiging dat hij ‘verklaard anti-reductionist’ is. Dat deugt natuurlijk niet, want wetenschap, zeker de medische wetenschap, is weinig anders dan reduceren. Van uiterlijke kenmerken naar DNA, van plantaardige stoffen tot een werkzaam molecule en van onduidelijke loopstoornis tot de diagnose MS: het is allemaal reductie! Later in het interview bleek Geurts hier vooral de psychiatrie en de overschatting van MRI-beeldvorming in die discipline op het oog te hebben. Op liefde voor die ‘holistische’ alternatieve geneeswijzen konden wij hem gelukkig niet betrappen.

Wij lazen ook dat hij enkele jaren geleden nog krachtig stelling had genomen tegen alternatieve geneeswijzen, maar – daarover op de vingers getikt door een VU-filosofe – zich in de filosofie was gaan verdiepen. Hij noemt daarbij het begrip ‘paradigma-shift’ van Kuhn, in de beginjaren van de alternatieve geneeskunde steevast aangeroepen om het ontbreken van wetenschappelijk bewijs te disculperen, gelukkig nog net niet. Zijn afkeer van reductionisme in de psychiatrie is natuurlijk terecht, want ons geestelijk leven is veel te gecompliceerd om gereduceerd te kunnen worden tot stoornissen in de neurotransmitters. Ook geeft hij de overschatte Dick Swaab even een veeg uit de pan: ‘Wij zijn niet ons brein, wij hebben een brein’. Volkomen juist. Hij zorgde ervoor dat er aan de VU naast hem een hoogleraar filosofie van de neurowetenschappen werd aangesteld. De confrontatie met de beperkingen van de neurowetenschap terzake van het stof-geest probleem maakt zo’n leerstoel natuurlijk opportuun, want dat probleem zal wetenschappelijk voorlopig nog niet worden opgelost. Hier past bescheidenheid en onderzoekers die zich op dat probleem stortten werden er in het lab van Watson en Crick zelfs van verdacht aan een vroeg stadium van de ziekte van Alzheimer te lijden. Het is meer voer voor filosofen.

Een echt ernstige uitglijder maakt Geurts als hij stelt overeenkomsten te zien tussen MS en het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). In beide gevallen zou er schade aan de grijze stof optreden, waarbij er bij MS een massale immunologische reactie volgt, terwijl die bij het CVS zou ontbreken. Hij mag CVS graag betitelen als ’MS-light’. Gelukkig wordt hem dat, zo zegt hij zelf, door zijn vakbroeders niet in dank afgenomen, want hij zou toch moeten weten dat de speurtocht naar een somatische afwijking bij die diagnose vruchteloos is gebleven en als afgesloten moet worden beschouwd. Het betreft een zogenaamd ‘functional somatic syndrome’ (Wessely) en Geurts’ suggestie dat er een organische afwijking in het spel is is zeer lichtvaardig en contra-therapeutisch. Deze patiëntencategorie wil niets liever dan hun kwaal als een lichamelijke afwijking erkend krijgen en de losse opmerking van Geurts zal zeker zijn weg vinden naar de CVS-lijders, die daardoor minder vatbaar worden voor de enige therapievorm, die enig succes bij deze aandoening kan claimen: cognitieve gedragstherapie. Als onze overijverige jonge professor daarvoor de tijd kan vinden zou hij zich toch eens wat nader in deze materie moeten verdiepen.