Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Klaas Jaarsma

Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Klaas Jaarsma

‘Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt / De nacht valt in, waarin geen licht meer straalt /  Andere helpers, Heer, ontvallen mij /  Der hulpelozen hulp, wees mij nabij’. Dit is de Nederlandse vertaling van het eerste couplet van de hymne Abide with me en dat lied werd afgelopen weekend in Arnhem en omgeving weer herhaaldelijk gezongen. Om redenen, die hier verder niet van belang zijn, maakte ik de afgelopen jaren de herdenking van Operatie Market Garden van nabij mee.
Deze maal was de herdenking extra grootschalig omdat de fatale Slag om Arnhem precies 75 jaar gelden plaatsvond. In tegenstelling tot vorig jaar, toen het weer heel slecht was met felle slagregens, was het weer nu prachtig en daarvan profiteerden ook de talrijke ministers, Frans Timmermans, burgemeester Marcouch, staatssecretarissen, prinses Margriet en ‘professor Van Vollenhove’, die hun opwachting maakten. Op zaterdag gaf zelfs prins Charles acte de presence, alsmede prinses Beatrix.
Veel toespraken, een stille tocht, kransleggingen, muziek en veel blijken van liefde en dankbaarheid voor de Britse veteranen, die in steeds kleiner aantal deze festiviteiten jaarlijks komen bijwonen. Ook het korps doedelzakspelers ontbreekt niet. Ontroerend wordt het als schoolkinderen bloemen gaan leggen bij de talrijke grafstenen van de oorlogsbegraafplaats in Oosterbeek en het Wilhelmus wordt gespeeld. Overal natuurlijk militairen, vaak met grote aantallen medailles en onderscheidingen.

Abide with me 1De herdenkingsplechtigheden worden elk jaar weer met grote inzet en veel liefde georganiseerd door gemeente-ambtenaren, maar vooral ook door grote aantallen vrijwilligers. Overal in de steden waar de oorlogshandelingen uit 1944 werden herdacht hingen de regimentsvlaggen uit van de Britse paratroepers. Op de vrijdagavond was er in een feesttent boven de Waal een gevarieerd optreden van het Gelders Orkest en van andere musici waaronder de jonge Hazes, een en ander begeleid door een helikopterlanding en een audiovisuele presentatie over de gevechten uit 1944. Prachtig.

Hoogtepunt is ook de zondagse herdenkingsplechtigheid op de oorlogsbegraafplaats te Oosterbeek. En daarover wil ik het even hebben. Tussen de muziekoptredens en de kransleggingen voerden vijf sprekers het woord en zij deden dat niet slecht. Toch zijn het die spreekbeurten, die mij elk jaar een beetje meer gaan irriteren. De reden daarvan is het  godsdienstige karakter dat deze speeches nog altijd hebben.
Van de sprekers kon misschien niet anders verwacht worden, want het betrof hier een aalmoezenier van het Britse paratroepers regiment, een predikant, een luchtmachtaalmoezenier b.d., een militaire rabbijn en een diaken van de Poolse kerk. Nee, slechte sprekers waren het niet. Zo begon de Britse aalmoezenier zijn toespraak met het bespreken van de donkere wolken, de duisternis en de zware omstandigheden die wij nooit zullen vergeten. ‘Ja, wat was het een slecht weer vorig jaar’. Maar als algemeen beschaafd atheïst erger ik mij elk jaar wat meer aan het joods-christelijke sausje waarmee alle toespraken zijn overgoten. Het brandende braambos, Mozes, de tocht uit Egypte, het Onze Vader en het Prijs de Heer: zij ontbraken ook ditmaal niet. Natuurlijk zullen de jonge parachutisten in 1944 hard hebben gebeden, indachtig het gezegde dat er in de loopgraven geen atheisten zijn en dat nood leert bidden, maar het ontbreken van een humanistische spreker te midden van dit religieuze geweld lijkt mij een anachronisme, waaraan hopelijk eens een einde gaat komen.
De christenen hebben tekstueel een voorsprong van plm. 20 eeuwen, maar het moet mogelijk zijn om ook zonder godsdienstige inspiratie de woorden te vinden waarin de gesneuvelde jonge mannen worden herdacht en wederom postuum gehuldigd. Een klassiek voorbeeld ervan werd al uitgesproken op de zondag. ‘Zij zullen niet oud worden, zoals wij, die het wel overleefd hebben / De gebreken van de oude dag zullen hun bespaard blijven en – achteraf – zal hun niets verweten worden. / Bij het vallen van de avond, en bij het aanbreken van de volgende dag, zullen wij aan hen denken’.

Volgend jaar graag iets meer vanuit deze geest, geachte organisatoren. Of is u dat heus nog een brug te ver?