Kousbroek, Socrates en de huisartsenopleiding 1

Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Vivian Oei.

In de serie beroemde laatste woorden scoort onze eigen Willem van Oranje niet slecht: ‘Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié avec moi et de ton pauvre peuple’. (Mijn god, heb medelijden met mij en met mijn arme volk). Nadat de kogel van Balthasar Gerardts zijn hart doorboorde en hij stervende was zouden dit zijn laatste woorden zijn geweest.
Er zijn veel mensen, die eraan twijfelen of er op zo’n moment nog zo’n fraaie en politiek correcte zin kan worden bedacht door een stervend persoon. Geloofwaardiger waren al Goethes laatste woorden. Hij zou hebben geroepen: ‘Mehr Licht’. Socrates had zijn gifbeker al leeggedronken en de eerste verlammingsverschijnselen deden zich al voor, toen hij uitriep: ‘Wij zijn Asklepios nog een haan verschuldigd!’ om kort daarna de geest te geven.

Asklepios, de god der geneeskunde, kwam terug in een mooi essay van wijlen de betreurde essayist en polemist Rudy Kousbroek (1929-2010), die in 1971 zijn Anathema’s 3 publiceerde met daarin o.a. een stuk getiteld Een haan voor Asklepios, verwijzend naar Socrates’ beroemde laatste woorden. In dat essay maakt Kousbroek zich druk over het beperkte wetenschappelijke niveau van de geneeskunde en het desondanks hoge aanzien dat artsen (Kousbroek noemt hen esculapen) in de samenleving genieten.
Kousbroek boog zich vervolgens over de vraag hoe je te weten komt of een bepaalde huisarts zijn vak verstaat en bij jou past. De beroepengids van je woonplaats en een blik op de lectuur in de wachtkamer is daarbij niet erg behulpzaam. Kousbroek zou meer willen weten, zoals: hoeveel patiënten heeft u? rookt u? hoe lang bent u al in het vak? welke krant leest u? komt er ongeneeslijke krankzinnigheid voor in de familie? op hoeveel vaktijdschriften bent u geabonneerd? heeft u een hobby? bent u gepromoveerd? Om er maar enkele te noemen. Kousbroek beveelt ook nog aan om de symptomen en klachten bij enkele aandoeningen te simuleren en zo de diagnostische vaardigheid van de arts te testen. Die ziektebeelden staan mooi beschreven in Ebing’s Psychopathia sexualis of in Bilz’ Natuurgeneeswijze, aldus Kousbroek.

Tegenwoordig is de opleiding van huisartsen aanzienlijk beter geregeld dan in de jaren 70, toen elke afgestudeerde arts direct als huisarts aan de slag kon, zoals ik zelf ook nog een poosje heb gedaan. Van alledaagse ziektebeelden die in het ziekenhuis weinig voorkwamen wist je maar weinig. Tegenwoordig is na een zesjarige basisopleiding (in mijn tijd nog zeven jaar) op de universiteit een vervolgopleiding van drie jaar obligaat. Ook daarna is men gehouden tot regelmatige na- en bijscholing. Dat biedt al met al een redelijke garantie op kwaliteit.
Toch zijn er natuurlijk wel degelijk kwaliteitsverschillen en verschillen in werkstijl tussen verschillende huisartsen. Ik heb dat in de ruim 31 jaar waarin ik als specialist patiënten verwezen kreeg van de plm. 100 huisartsen in mijn regio duidelijk kunnen constateren. Voor de patiënt ligt dat moeilijker en hij beoordeelt zijn of haar huisarts toch vooral op bejegening en invoelingsvermogen. Maar er zijn wel alarmsignalen te bedenken. Zo dient de patiënt bijvoorbeeld op zijn hoede te zijn als de huisarts alternatieve geneeswijzen toepast, hetgeen in 4% van de beroepsgroep het geval is. Alternatieve geneeswijzen zijn immers niet wetenschappelijk bewezen en berusten vaak ook nog eens op veronderstellingen die niet goed te rijmen zijn met de gewone medische kennis van het menselijk lichaam.

Nieuwsgierig naar de plek van alternatieve geneeswijzen in de hedendaagse huisartsenopleiding enquêteerde de Vereniging tegen de Kwakzalverij recent de hoofden van de diverse universitaire huisartsen-instituten. De VU kreeg geen enquête, omdat men daar al had toegegeven twee antroposofische opleiders te hebben, terwijl de hoogleraar huisartsgeneeskunde liefhebster is van ‘integratieve geneeskunde’. Deze professor Henriette van der Horst nam zelfs plaats in een Comité van Aanbeveling van een congres over deze vorm van kwakzalverij. Van de overige zeven aangeschreven opleiders deden er zes mee, maar de Utrechtse opleider Damoiseaux weigerde deelname zonder opgaaf van redenen. Hij heeft wellicht iets te verbergen.
Uit de ingevulde enquêtes werd duidelijk dat er bij de selectieprocedure van huisarts-opleiders helemaal niet zo wordt gelet op het al dan niet praktiseren van alternatieve geneeswijzen. Andere kwaliteitscriteria spelen een veel grotere rol. Men weet aanvankelijk vaak niet eens of zo’n huisartsenopleider ook een alternatieve geneeswijze toepast. En als het wel bekend is dan worden deze artsen toch als opleider geaccepteerd mits zij hun hobby niet opdringen aan hun huisarts in opleiding. Hierover worden dan strikte afspraken gemaakt. Het betreft vooral antroposofische artsen, soms ook homeopaten. Als een huisarts in opleiding belangstelling toont voor alternatieve geneeswijzen, dan plaatst men hen bij voorkeur niet bij zulke alternatief-angehauchte opleiders, hetgeen mij een verstandige policy lijkt. En mocht in de opleidingspraktijk blijken dat de alternatieve geneeswijze toch een te dominante positie heeft, dan kan dat leiden tot beëindiging van het opleiderschap. Dit heeft zich ook daadwerkelijk wel eens voorgedaan.
Op één uitzondering na geven vrijwel alle opleidingsinstituten aan dat de kans aanwezig blijft dat zij ook in de toekomst af en toe alternatief praktiserende huisartsen als opleider zullen accepteren. Het komt daarnaast regelmatig voor dat de officiële opleider wel 100% regulier werkt zoals het hoort, maar dat de arts in opleiding in een groepspraktijk toch in aanraking komt met een alternatief-angehauchte huisarts.

De algemene conclusie kan luiden dat aspirant-patiënten zich over hun huisarts niet al te veel zorgen hoeven te maken. De zorgen van Kousbroek uit de jaren 70 kunnen als grotendeels achterhaald worden beschouwd. Mogelijke uitzondering zijn huisartsen die zijn opgeleid aan de VU (Amsterdam) en nog meer op mijn qui vive zou ik zijn als de huisarts mede is opgeleid onder de vleugels van dokter Damoiseaux van het Utrechtse Huisartseninstituut. Hij deed zo moeilijk over een simpele enquête dat hij haast wel iets te verbergen moet hebben. Veel van de afgestudeerden van zijn opleiding vestigen zich in de mooie provincie Utrecht. Mocht de aap een keer uit de mouw komen als u de pech heeft zo’n alternatieve huisarts op uw pad te krijgen, besef dan dat u niet verplicht bent een alternatieve geneeswijze te accepteren. U roept dan gewoon luidkeels: ’Dag dokter. Aan mijn lijf geen polonaise!’