Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Klaas Jaarsma

Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Klaas Jaarsma

De passage van het kind door het baringskanaal is een aanslag op de bekkenbodem, zijnde het gespierde gebied tussen de vulva en de anus. Zeker bij de geboorte van het eerste kind scheurt dit gebied regelmatig in, welk letsel door gynaecologen wordt betiteld als 1ste graads ruptuur, 2de graads of 3de graads. De 3de graads ruptuur ontstaat bij enkele procenten van de bevalling bij eerstbarenden. Het betekent dat de scheur zich zo ver heeft uitgestrekt, dat ook de kringspier van de anus is doorgescheurd. Het herstel daarvan vergt een lastige operatie, die veelal onder narcose en direct na de geboorte moet plaatsvinden. Niet zelden leidt deze complicatie tot een blijvende verzwakking van de anale kringspier met bijvoorbeeld incontinentie voor ontlasting tot gevolg.
Is er bij de eerste bevalling een 3de graads ruptuur (ook wel ‘totaalruptuur’ geheten) opgetreden, dan moet er bij de volgende bevalling altijd een flinke inknipping (‘episiotomie’) worden gegeven. Dat verkleint de kans dat de verlittekende kringspier opnieuw beschadigd raakt. Tweemaal een verscheurde sfincter vergroot de kans op latere incontinentie of verzakkingen in zeer aanzienlijke mate.

Deze lange inleiding dient om een herinnering op te halen uit de tijd dat ik nog af en toe de supervisie had op de verloskamers. Daar gebeurde het dat een jonge arts-assistent mij op trotse toon kwam meedelen, dat hij bij een vrouw, die eerder een totaal ruptuur had opgelopen, geen knip had gezet en dat desniettemin de anale sfincter intact was gebleven. Hij verwachtte een waarderend commentaar van zijn baas, maar ik veegde hem daarentegen de mantel uit. Nog eenmaal zulk eigengereid optreden in strijd met op veel wetenschap gebaseerde richtlijnen en ontslag zou volgen. Beteuterd droop hij af. Waarom die herinnering recent bij mij opkwam, leest u in het vervolg van dit artikel.

Op 19 mei werd een Limburgse dorpsdokter annex orthomoleculair huisarts landelijk nieuws. Hij had na de behandeling van een tiental positief geteste corona-patiënten met een combinatie van vier middelen alleen maar genezingen gezien. Eerder ging de helft van zijn 23 corona-patiënten dood. Hij vond dit zo veelbelovend dat hij contact zocht met Omroep Limburg, waarna de landelijke kranten er lucht van kregen en Rob Elens twee dagen later in de talkshow Op1 zat, waar hij het onbekommerd opnam tegen viroloog Osterhaus.

Hij had zijn therapie ontleend aan de omstreden hippie-achtige Franse viroloog Raoult. Deze gaf zijn patiënten een combinatie van hydroxychloroquine, azitromycine, vitamine D en zink. De leider van Forum voor Democratie Baudet steunde Elens, nodigde hem uit in zijn FVD-journaal en drong er bij minister De Jonge op aan om het middel vrij te geven en ervan grote hoeveelheden in te slaan. De IGJ was er deze keer snel bij en verbood Elens deze behandeling nog toe te passen en ook zijn apotheker kreeg een afleveringsverbod van de genoemde middelen.

In de vroege fase van de uitbraak werd ook in ziekenhuizen op de IC’s hydroxychloroquine gegeven, totdat men erachter kwam dat het spul meer kwaad dan goed deed. Wereldwijd liepen en lopen er nog goed opgezette onderzoeken naar de werkzaamheid van het middel. Er bestaat onder infectiologen inmiddels wel consensus dat hydroxychloroquine niet werkzaam zal blijken te zijn.
Maar, zo sprak een hunner, je moet er niet aan denken, dat er toch nog een verrassing uit de bus zou komen en dat het middel wel degelijk nuttig zou blijken te zijn. De hoon van complotdenkers, orthomoleculairen, Baudet-achtigen en kwakzalvers zou dan natuurlijk enorm zijn. Hij zag daar erg tegen op. Ik meende hem te kunnen geruststellen, want zelfs als gebleken mocht zijn dat hydroxychloroquine werkzaam is tegen corona, dan blijft nog overeind dat de uitspraken van Elens in die fase op volkomen onreglementaire, onwetenschappelijke en onethische gronden waren gedaan. Het ABC van farmacologie en geneesmiddelenonderzoek is hem volkomen ontgaan. Dat valt hem aan te wrijven en te verwijten.
Gesteld dus dat hij achteraf toch nog zou triomferen, dan zou niet betekenen dat de man zijn therapie op goede gronden was gaan toepassen. Zoals mijn arts-assistent een fraai resultaat boekte, dat nooit op deze wijze tot stand had mogen komen, zo zou Elens ook dan nog altijd als orthomoleculaire kwakzalver kunnen worden beschouwd, ook al had hij schijnbaar gelijk gekregen. Wel valt te vrezen dat dat aan een lekenpubliek moeilijk is uit te leggen.