Tussen  1985 en 1993 vond er onder geheimzinnige omstandigheden een bijzondere schaakpartij plaats. Een correspondentiepartij tussen Viktor Kortsjnoj en Géza Maróczy. Dat twee sterke grootmeesters een geheime trainingspartij spelen, is niet zo uitzonderlijk. Correspondentie-schaak is al wat ongebruikelijker, maar daar gaat het in dit geval niet om.  Wat dit geval bijzonder maakt, is dat één van de twee spelers ruim dertig jaar eerder was overleden …

Het uitzoeken van de spelers
De partij was geregeld door dr. Wolfgang Eisenbeiss, een econoom, schaakenthousiast én voorzitter van de Zwitserse vereniging voor parapsychologie. Hij kende het medium Robert Rollans (geb. 1914), die een geschikte tussenpersoon zou zijn voor een partij tussen een levende grootmeester en één die al overleden was. Rollans speelde zelf namelijk geen schaak en kon aldus niet verdacht worden van het zelf verzinnen van de zetten. Eisenbeiss gaf Rollans een lijstje met een dozijn interessante kandidaten om te kijken of Rollans daar contact mee kon krijgen. Intussen ging hij zelf op zoek naar een geschikte levende grootmeester.

Schaken met een dode 1

Beeld uit de met incidenten beladen WK-match Karpov – Kortsjnoj van 1978

Viktor Kortsjnoj bleek bereid mee te werken. Een voor de hand liggende keuze: Kortsjnoj was zelf Zwitser geworden nadat hij van de Sovjet-Unie naar het Westen was overgelopen en ook bekend vanwege zijn interesse in het occulte sinds een akkefietje tijdens de match om het wereldkampioenschap met Anatoli Karpov in Baguio 1978. Karpov had toen ene dr. Zukhar in zijn begeleidingsteam opgenomen, die tijdens de partijen Kortsjnoj zou hebben geprobeerd te hypnotiseren (meer daarover).
In zijn biografie  ‘Chess is My Life‘ schrijft Kortsjnoj dat hij door Eisenbeiss benaderd werd met de vraag tegen welke overleden schaker hij graag had willen spelen. Kortsjnoj noemde Capablanca, Keres en Maróczy. Na enige tijd kwam Eisenbeiss terug met de mededeling dat Capablanca en Keres onbereikbaar bleken in het hiernamaals, maar dat Géza Maróczy wel zou willen. Al deze spelers hadden blijkbaar ook toevallig gestaan op het lijstje dat Eisenbeiss zelf aan Rollans had gegeven.
De Hongaarse schaker Maróczy leefde van  1870 tot 1951 en zijn hoogtepunten op schaakgebied lagen in het eerste decennium van de 20ste eeuw. In 1906 zou hij spelen om het wereldkampioenschap met Emanuel Lasker, maar die match ging niet door. Bij de officiële invoering van de titel Grootmeester door de FIDE in 1950 werd hij ook benoemd, samen met een aantal andere nog levende schakers waarover algemene overeenstemming bestond dat ze in hun tijd tot de top hadden behoord.

De partij
Op 15 juni 1985 ging de partij van start met de zet 1.e2-e4 van Maróczy. Rollans communiceerde met Maróczy door middel van het zogenaamde automatische schrift. Hij schreef de zet van Kortsjnoj op een blaadje en voerde die ook op een bord uit (om dat te kunnen had hij wel een paar schaaklesjes van Eisenbeiss gehad). Als hij doorkreeg dat Maróczy een antwoord had bedacht, ging hij weer zitten en als vanzelf werd de zet dan door hem opgeschreven. Volgens Rollans gaf de geest van Maróczy ook uitvoerige varianten door, die Rollans in trance wel begreep, maar zodra uit trance was en de opgeschreven zet bekeek, kon hij daarvan niets meer reproduceren. Eisenbeiss gaf de opgeschreven zet weer door aan Kortsjnoj.

Schaken met een dode 2

Kortsjnoj en Rollans ontmoetten elkaar pas voor het eerst in levende lijve tijdens een Duits televisie programma kort na de partij. Die eindigde op 11 februari 1993 met opgave van Maróczy. Drie weken later overleed Rollans (2 maart 1993). Pas in 2004 liet Eisenbeiss de partij analyseren door ene Vernon Neppe, die beweert dat de partij niet gefaket kan zijn. Maar ik vermoed dat Neppe helemaal geen sterk schaker is. Hij komt niet voor de in de FIDE-database met ELO ratings, Eisenbeiss zelf wél (hoewel ratingloos). ‘Because of major stylistic differences, the computer could not have simulated the game, nor could many living chess players play at this high a level.’ verklaart Neppe. Maar dat is echt grote onzin.

Schaken met een dode 3

De tekst die Rollans ‘automatisch’ schreef en waarmee de partij begon. Eerst schrijft een ‘bekende’ van Rollans, daarna neemt Maróczy het over in een ander handschrift

Kortsjnoj gaf zelf na zet 27 een kort commentaar waarin hij aangaf dat Maróczy in de opening wat fouten had gemaakt en ouderwets had gespeeld.  Maar hij had intussen ook niet meer zo nauwkeurig gespeeld en vroeg zich af hij genoeg voordeel had overgehouden om te winnen. Dit was in september 1987 toen de partij net stil was komen te liggen vanwege de niet zo beste gezondheid van Rollans. Vaak was het medium langere tijd zo ziek, dat het hem niet lukte contact op te nemen met de geest van Maróczy. In 1991 ging het weer verder.

Het commentaar van Kortsjnoj is merkwaardig. De opening van de partij was juist helemaal niet ouderwets! Van vóór 1951 (het jaar waarin Maróczy overleed) vond ik maar enkele voorbeelden met deze variant (met de zet 10.Kd1), daarna vele honderden. Wel gelijk heeft Kortjsnoj dat zijn tegenstander vroeg de fout inging. Zo is 12.Lb5 is een rare zet, die amateuristisch overkomt (bij een sterk schaakprogramma komt die bijvoorbeeld niet bij de beste 10 overwogen zetten voor). Met 14.Lg5 speelde wit overigens pas de eerste nieuwe zet (14.Pg5 komt nog voor in een partij uit 1985), maar het is ook geen beste.
Kortsjnoj komt dan meteen compleet gewonnen te staan, maar speelt met 17… Lxf3+ een zet die een grootmeester onwaardig is. Daarna komen nog meer mindere zetten van Kortsjnoj. Het lijkt er sterk op dat die heel bewust op een nog enigszins interessant eindspel afstuurt. Maar wit mist daarin volgens mij zijn laatste kans op redding met de zet 29.axb5 (29.a5 maakt het zwart erg moeilijk).
Het spelniveau van wit is bepaald niet hoog, een amateur als Eisenbeiss zou de zetten makkelijk gespeeld kunnen hebben. Ook duidt de openingskeuze niet bepaald op Maróczy. In zijn bekende partijen uit de schaakdatabase speelt hij op de 4e zet al andere varianten.

Vragen aan Maróczy
Interessanter voor de vraag of er geesten zijn van overledenen waarmee gecommuniceerd kan worden, zijn de vragen die gesteld werden aan de geest van Maróczy. Eisenbeiss legde via Rollans 94 vragen voor. Daaronder waren er veel die makkelijk beantwoord konden worden door het raadplegen van boeken over bekende schakers of oude schaaktijdschriften. Maar er zaten ook wat vragen tussen die buitengewoon lastig waren om te beantwoorden voor iemand die niet zeer na in de omgeving van Maróczy had verkeerd.

Schaken met een dode 4

Géza Maróczy

Eisenbeiss huurde om die lastige vragen zelf beantwoord te krijgen iemand in: de Hongaarse geschiedkundige László Sebestyén, die ook lid was van de schaakclub van Budapest. De antwoorden op een tweetal vragen worden als zeer bijzonder genoemd.

De eerste gaat om een partij die Maróczy had gewonnen van een zekere Romi in het toernooi van Monte Carlo (1930). In die partij stond Maróczy hopeloos, maar hij kreeg de kans die met een verbluffende zet alsnog in zijn voordeel te beslissen. De geest antwoordde echter dat hij geen Romi kende, maar wel een Romih (met een extra ‘h’ dus) die een jeugdvriend was geweest. De partij was gespeeld in San Remo en niet in Monte Carlo. Sebestyén vond bronnen waarin de Italiaan Romih zowel met als zonder ‘h’ genoemd werd en kwam er niet helemaal uit. Later vond Eisenbeiss de toernooitabel van het toernooi in San Remo waarin Romih met ‘h’ genoemd werd. Romih was oorspronkelijk Sloveen en had na het bewuste toernooi de ‘h’ laten vallen wat een voor Italianen normalere naam opleverde.

Een tweede interessante kwestie is de ‘Vera Menchik club’. Menchik was de eerste dameswereldkampioen schaken geweest en een leerling van Maróczy. In die tijd was het nog niet zo gebruikelijk dat sterke spelers uit de wereldtop wel eens verloren van een vrouw. Iemand bedacht als grap dat je bij verlies automatisch lid werd van de ‘Vera Menchik club’. Aan Maróczy de vraag wie de club had ‘opgericht’. Het duurde een aantal sessies waarin hij via Rollans liet weten onzeker te zijn over het antwoord en geeft eerst spelers als Spielmann en Grünfeld als mogelijke kandidaten. Op 21 augustus 1988 komt hij met de suggestie van Albert Becker, maar zegt erbij dat dat eigenlijk niet kan, omdat die in die tijd net naar Zuid Amerika was geëmigreerd. Opvallend genoeg had net drie dagen tevoren het antwoord (Becker!) in het bekende tijdschrift Schachwoche gestaan. Maar dit wordt door Eisenbeiss dan weer uitgelegd als een aanwijzing dat hier inderdaad de geest van Maróczy sprak en niet Rollans (die zou dan wel het correcte antwoord overtuigend hebben gegeven).

Een skeptische verklaring
Het ligt voor de hand om de verklaring voor de partij en het beantwoorden van de vragen te zoeken in de persoon van Eisenbeiss. Belangrijke zaken weten we alleen uit wat hij erover kwijt wil en van enige serieuze controle was natuurlijk geen sprake. Het valt ook op dat hij er zelf pas uitgebreid over schreef in 2006 (in het Journal of the Society for Psychical Research), dus nadat Kortsjnoj er in zijn biografie (de uitgebreide tweede versie) aandacht aan besteedde. De andere hoofdrolspelers waren inmiddels al overleden (Rollans vlak na de partij en Sebestyén in 1996).

Schaken met een dode 5

Het medium Robert Rollans

De keuze voor Maróczy lijkt redelijk willekeurig, maar Kortsjnoj en Eisenbeiss leggen daarover al enigszins verschillende verklaringen af. Waarom Maróczy eigenlijk? Waren er geen interessantere kandidaten? Mij verbaast het eigenlijk dat Kortsjnoj hem al op zijn derde plek had staan. Het kan bijvoorbeeld zijn dat Eisenbeiss dagboeken van Maróczy te pakken had gekregen (Sebestyén vond ze in ieder geval) en de keuze daarom een beetje gestuurd heeft. Of de volgorde van het stellen van de vragen aan Maróczy en het onderzoek van Sebestyén is net omgekeerd geweest. Sebestyén was op pad gestuurd om de antwoorden te vinden zonder dat hem medegedeeld was waarvoor die eigenlijk bedoeld waren.

Er zit nog een naar kantje aan het verhaal van Eisenbeiss. Op 10 juli 1988 doet de geest van Maróczy een boekje open over zijn motieven om mee te doen aan het experiment (zie de tweede bron hieronder), maar maakt dan ook een snerende opmerking over zijn landgenoten die niet gastvrij waren en niet bereid mee te werken aan de speurtocht van Eisenbeiss naar meer achtergrondinformatie over Maróczy. Het lijkt te slaan op de weigering van de nog in leven zijnde kinderen van Géza Maróczy om Eisenbeiss te ontvangen toen die eerder die maand in Budapest was. Zij hadden namelijk helemaal geen zin in dit spiritistische gedoe toen ze er achter kwamen dat het daarom ging. Het lijkt er sterk op dat Eisenbeiss slecht tegen zijn verlies kon en ze, zogenaamd via hun vader, nog een trap nagaf.

Verder lezen over deze kwestie: