Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Klaas Jaarsma

Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Klaas Jaarsma

Een oud Chinees spreekwoord zegt, dat als je maar lang genoeg aan de oever van de rivier blijft zitten dat er dan altijd een moment komt, dat je het lijk van je vijand voorbij ziet drijven. Hoewel ik Jurriaan Kamp (1959, Haarlem) altijd meer als een bron van ergernis heb gezien dan als vijand, toch moest ik aan dit spreekwoord denken toen er in Villamedia een diepgravend artikel van onderzoeksjournalist Miro Lucassen verscheen over de malversaties en miljoenenschuld die de wereldverbeteraar op zijn geweten blijkt te hebben.

Op kosten van zijn zakenpartners heeft de aan de Amerikaanse westkust levende uitgever/journalist via het blad Ode in de loop van twintig jaar acht miljoen euro aan verliezen opgebouwd, in de stellige overtuiging dat het goede doel dit meer dan waard is. Of dacht hij vooral aan zichzelf? Het hieronder volgende relaas over Kamp en Ode is vrijwel volledig gebaseerd op Lucassen’s lange artikel op de website van Villamedia. [1]

Ode, de kroniek van de onderstroom

Kamp was redacteur economie bij NRC Handelsblad toen hij als 31-jarige genoeg kreeg van al het negatieve nieuws dat zijn krant dagelijks verspreidde en hij slaagde erin met zijn visioenen van een betere wereld geld te lenen van een aantal rijke ondernemers en filantropen, zoals daar zijn boedelbak-oprichter Wiet de Bruin, City Koerier-baas Jaap Mulders, mister Fabeltjeskrant Thijs Chanowski, tv-presentatrice Alice Oppenheim, astroloog Peter Delahay en de puissant rijke soft ware ondernemer Eckart Wintzen. Vanaf 1991 komt deze club af en toe bijeen en in 1995 was er voldoende startkapitaal en verschijnt de eerste editie van Ode, de kroniek van de onderstroom. De eerste jaren zijn er natuurlijk verliezen en in 2001 slaagde Kamp er in een bedrag van 193.000 euro te lenen bij het Bedrijfsfonds voor de Pers, een succesje dat hij in 2011 nog eens wist te herhalen. Het blad bevatte vooral verhalen over spiritualiteit, ethiek in het bedrijfsleven, optimisme en alternatieve geneeskunde. Met grote regelmaat liet het blad op volstrekt kritiekloze wijze medische warhoofden uit de alternatieve hoek aan het woord. Het standpunt van hoofdredacteur Kamp luidde aldus: ‘In grote delen van de wereld is de belangstelling voor alternatieve en complementaire therapieën, die vooral een rustiger en gematigder leven voorstaan, sterk groeiende’. In een aantal Westerse landen komt het zelfs voor dat er meer interesse bestaat voor deze vorm van genezen dan voor de reguliere geneeskunde, aldus Kamp.

Aidsontkenner

Cover van Ode met het 'Aids bestaat niet' artikel van Jurriaan Kamp (afb. via Koninklijke Bibliotheek)

Cover van Ode met het ‘Aids bestaat niet’ artikel van Jurriaan Kamp (afb. via Koninklijke Bibliotheek)

In het julinummer uit 1999 publiceerde Kamp zelf een artikel met als kop ‘Aids bestaat niet’.[2] Hij schrijft: “Aids wordt niet veroorzaakt door een virus. Aids is niet seksueel overdraagbaar. Aids is een gevolg van een totale uitputting van het immuunsysteem.” Vijftien pagina’s lang betoogt hij dat de relatie tussen hiv en aids niet is aangetoond, met aan het slot: ‘Het enige succesvolle antwoord op aids tot nog toe is: extra zorg voor het immuunsysteem. Ofwel: gezond leven.’

In 2004 werd Kamp genomineerd voor de Meester Kackadorisprijs. [3] De nominatie voor diezelfde prijs, die NRC Handelsblad in 2012 opliep, was mede te danken aan het feit dat sinds 2010 de Ode elk kwartaal werd meegestuurd met de NRC en daarmee – in de woorden van de jury – de intelligentie van de NRC-lezers ernstig beledigde.

In november 2011 prijkte in het blad een verhaal over biofotonen en kwam de geschifte Johan Boswinkel aan het woord, die een therapie aanbiedt, geheel gebaseerd op de onbewezen theorie over biofotonen. Het artikel bevatte wederom de bij Ode geliefde retoriek over‘ de onmachtige geneeskunde’, over Boswinkels’ genezingspercentage van 80%’ en ‘de duizenden mensen die van hun kwaal zijn af geholpen’.

Amerikaans avontuur

Uit de accountantsverklaringen en jaarstukken blijkt dat het van 2001 tot 2006 zakelijk helemaal niet slecht gaat met tijdschrift Ode in Nederland. Het aantal lezers stijgt, en dat geldt ook voor het aantal ‘echte’ abonnees van het maandblad. Er wordt een bescheiden winst gemaakt en langzaam maar zeker lijkt de uitgeverij de aanloopverliezen goed te maken. Dat zal echter nooit gebeuren. Integendeel, de schuldenlast neemt alleen maar toe, mede als resultaat van Kamp’s megalomane entree op de Amerikaanse markt en zijn aankoop van de vertalingsrechten op het Britse tijdschrift What doctor’s don’t tell you, dat hij in Nederland op de markt brengt als Medisch Dossier, een blad dat vooral waarschuwt voor de gevaren van vaccinaties en de consumptie van supplementen aanprijst.
In 2002 steeg de verspreide oplage boven de 20.000, waarvan 12.602 abonnees de volle mep betalen en de rest van kortingen genoot. Eind 2005 zijn dat er 14.343, vergelijkbaar met de wekelijks verschijnende De Groene Amsterdammer. Zelf verhuisde Kamp in 2004 naar Californië om een Amerikaans avontuur van de grond te krijgen. Hij was enthousiast geraakt op het World Social Forum in Brazilië in januari 2003, waar Ode een eenmalige Engelstalige editie presenteerde. De ontvangst smaakte naar meer en de uitgever voorspelde: tegen bescheiden vertaalkosten kan ik een veel grotere markt aanboren. Bij een volgende presentatie in New York, begin 2004, schreeuwt Kamp van de daken dat Ode nu een wereldwijde oplage van 100.000 exemplaren heeft.

Ode verandert in The Optimist, kwakzalverij onderdeel van de inhoud

Ode verandert in The Optimist, kwakzalverij blijft onderdeel uitmaken van de inhoud

Het Nederlandse Ode ging in die tijd tien keer per jaar verschijnen en teakhoutbeleggingsfonds Goodwood (people, planet, profit) garandeerde de afname van duizenden exemplaren. Inhoudelijk werd het blad steeds oninteressanter want vrijwel alle stukken waren vertalingen vanuit het Engels en de auteurs van de stukken waren in ons land vrijwel onbekend. Terwijl er zakelijk enorme bedrijvigheid ontstond met een wirwar van BV’s, een deelname van Kamp’s echtgenote Hélène de Puy, een verplaatsing van de licentie (in bezit van Kamp) naar Luxemburg en de oprichting van meerdere Amerikaanse bedrijven, veranderde Kamp in 2013 de naam van het tijdschrift van Ode in The Optimist.
Kamp en zijn gezin leefde intussen op grote voet in Californië, in een bungalow met zwembad nabij San Francisco, en dat terwijl de schuldenlast van de uitgeverij alsmaar toenam. Hijzelf verdiende een hoog salaris, maar medewerkers kregen hun loon steeds later uitbetaald, soms pas een half jaar na de geleverde prestatie, en ook de verplichte aflossing bij het Bedrijfsfonds voor de Pers werd gestaakt. Een bevredigende verklaring daarvoor gaf Kamp het fonds niet. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan verliest Ode International intussen in hoog tempo harde dollars.

In 2014 laat Kamp op een Ode-bijeenkomst nog een jonge Kennedy-telg naar Rotterdam overkomen, maar de belangstelling voor zijn toespraak over ‘ethisch verantwoord zakendoen op een schone planeet’ is gering en de opkomst is minimaal. Alweer een verliespost voor de geplaagde idealist. Goochelend met herstructureringen lukt het Kamp om in de VS nog enkele tonnen schuld af te schudden, maar voldoende bleek dat niet te zijn. In ons land mislukte een vergelijkbare demarche en over uitgeverij Ode Nederland wordt op 18 maart 2014 het faillissement uitgesproken. De afwikkeling ervan komt in handen van de door de rechtbank benoemde curator C. van den Bergh uit Rotterdam. Hij treft een leeggehaalde BV aan; alle relevante bezittingen, de abonneegegevens en kantoormaterialen, zijn immers al overgedaan aan The Optimist. Kamp heeft op kosten van zijn zakenpartners een schuld van 8 miljoen opgebouwd, maar na betaling van de procedurekosten en de Belastingdienst bleef er geen cent over voor een honderdtal aandeelhouders en negentien andere schuldeisers, onder wie freelance journalisten, fotografen, illustratoren en vertalers. Verkoop van het abonneebestand had lucratief kunnen zijn, want dat zou voor andere zingevingstitels als Happinez, Gezondheidsnieuws of Onkruid  een begeerlijke prooi zijn geweest. Maar ook dat bestand was al verkocht aan al weer een BV. Natuurlijk wel een onderneming op naam van Kamp, de Luxemburgse S.à.r.l. Ode International Publishers. Die beheert thans de licentie op de titel van het tijdschrift.

Pluut

In de zomer van 2015 kregen de Nederlandse lezers van The Optimist de boodschap dat zij het blad voortaan in het Engels zouden ontvangen. De aantrekkingskracht ervan zou gering zijn en alsnog een zachte dood voorspellen voor The Optimist leek toen geen gewaagde prognose. Maar, nee: de omstreden Wassenaarse zakenman/fondsenwerver Ronald Pluut, die een vermogen opbouwde met nep-goede doelen, kon zijn favoriete blad niet missen en legde geld op tafel.[4] Soort zoekt soort.
Eind december ontvingen de abonnees in Nederland alsnog een herfstnummer in de eigen taal, met de belofte dat het winternummer daar snel op zal volgen. Hoe Pluut en uitgever/hoofdredacteur Jurriaan Kamp dit zakelijk hebben geregeld houden ze voor zichzelf,  Lucassen kwam er niet achter. Uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat Pluut de zakelijke controle heeft over de Nederlandse editie, terwijl Kamp eind 2014 aan andere investeerders nog een aandeel in toekomstige winsten beloofde. Wie het gelooft, die mag het zeggen

1. Ode: Een ideaal dat dobbert op miljoenenschuld, Miro Lucassen, Villmedia 2015. (Je kunt gratis een login voor een maand  aanvragen en zo het artikel dat achter een slotje staat helemaal lezen.)

2. Aids bestaat niet, Jurriaan Kamp, Ode 1999.

3. Genomineerden voor de Meester Kackadorisprijs 2004, VtdK 2004.

4. Brein achter dubieus netwerk van goede doelen ontmaskerd, Renckens, Kloptdatwel 2013.