Blinde geestdrift maak zich van journalisten meester als een wetenschapper weer eens een maatschappelijk verschijnsel biologisch heeft verklaard. Ook al zit het onderzoek zo vol gaten dat je er dwars doorheen kunt kijken.

Vreemd, heel vreemd. Op 25 juni 2016 schreef wetenschapsredacteur Maarten Keulemans nog in een trotse terugblik dat de Volkskrant met de nieuwe rubriek ‘Klopt dit wel’ in een jaar tijd al heel wat onzin had ontmaskerd — waaronder uiteraard ‘De mannengriep bestaat tóch’ — anderhalf jaar later, op 12 december 2017, pakt hij zelf uit met: ‘Man met ‘aanstelleritis’ is écht zieker dan een vrouw’. Naar die eerdere ‘factcheck‘ verwijst hij daarbij niet, laat staan naar zijn branie dat de wetenschapsredactie van de Volkskrant ‘ook het snelle hapslikwegnieuws controleert’ en ‘opvallend weinig’ mis schiet.

Misschien was hij geheel vergeten dat de ‘mannengriep’ al tientallen jaren in het snelle hapslikwegnieuws figureert, misschien vond hij dat het zo pal voor de feestdagen niet zo nauw luisterde, of misschien was er werkelijk baanbrekend onderzoek dat al het eerdere in de schaduw stelt en overtuigend aantoont dat mannen, overige omstandigheden gelijkblijvend, zieker zijn van hetzelfde virus dan vrouwen?

In ieder geval lijkt Keulemans het nieuwe onderzoek serieus genoeg te nemen om er een stevige driekolommer van te maken. Hij begint:

Dames: als de man weer eens kermend van ellende op de bank ligt met wat gewoon een koutje lijkt — het is geen aanstelleritis. Er zijn serieuze aanwijzingen dat mannen zich écht ellendiger voelen als ze worden getroffen door een verkoudheid of een griepje.
Is de man ziek, dan is hij zó zielig. Voor vrouwen is het zo herkenbaar dat de aanstelleritis van de man zelfs een naam heeft, de ‘mannengriep’. Maar inmiddels is er aardig wat wetenschap die de man gelijk geeft, noteert de Canadese huisartsgeneeskundige Kyle Sue in de jaarlijkse, luchtige kerstspecial van artsenblad The British Medical Journal (BMJ).

Het artikel staat kennelijk in een luchtige kerstspecial, maar moeten we het onderzoek dan ernstig nemen of niet? Je moet het maar net weten: het kerstnummer van de BMJ biedt ruimte aan auteurs die een origineel onderwerp lichtvoetig maar wel wetenschappelijk benaderen. Een greep uit het aanbod van dit jaar: het formaat van wijnglazen van 1700 tot 2017, de behandeling van het managementtaalsyndroom, een longitudinaal onderzoek naar de vraag of hoogmoed inderdaad voor de val komt, en het verband tussen volle maan en het aantal motorongelukken. Uit dit overvloedige en inderdaad niet ongeestige kerstbuffet koos Keulemans dus ‘The science of ‘man flu‘,’ door Kyle Sue. Het maakt het alleen maar vreemder.

Abominabel

Sue was op het onderwerp gekomen ‘omdat hij het beu was beschuldigd te worden van overdrijving’, waarschijnlijk toen hij weer eens kermend van ellende te bed lag. Hij besloot de wetenschappelijke literatuur door te vlooien om te zien of mannen werkelijk ernstiger symptomen ervaren en of dit een evolutionaire grond zou kunnen hebben.

Om maar meteen de kaarten op tafel te leggen: die zoektocht is abominabel uitgevoerd, zonder enige systematiek en zonder enige verantwoording. Het ziet ernaar uit dat hij inderdaad niet verder heeft gedacht dan ‘Kom, ik ga eens wat lezen en wat onderzoeken verzamelen’, en daarna de citaten die hem van pas kwamen op een rij heeft gezet. De BMJ stelt uitdrukkelijk dat voor het kerstnummer dezelfde hoge eisen worden gesteld aan methodologische strengheid, transparantie en leesbaarheid als in gewone afleveringen, met dezelfde competitieve selectie en peer-review. Van baanbrekend onderzoek dat al het eerdere in de schaduw stelt, is bij Sue in ieder geval geen sprake. Het is een boeketje onjuiste, verdraaide en halfbegrepen citaten en anekdotes — precies het hapslikwegnieuws waarop de Volkskrant zo alert zou zijn. Ook de goede BMJ slaapt wel eens.

Sue begint met omstandige verwijzingen naar onderzoek in dieren en reageerbuizen dat moet aantonen dat vrouwen over het algemeen een krachtiger afweersysteem hebben dan mannen en dat dit wordt veroorzaakt door geslachtshormonen — oestradiol versterkt de afweer, testosteron verzwakt het. Dat is volstrekt overbodig: er is geen enkele deskundige die dit, desnoods met een zuinig kanttekeningetje, zal bestrijden. Vrouwen zijn, zoals dat heet, ‘immuungeprivilegieerd’.

Keulemans vindt het echter wel de moeite van het vermelden waard en kiest als voorbeeld:

Zo blijkt uit laboratoriumonderzoek dat mannelijke cellen die zijn besmet met het griepvirus daarvan beter herstellen als je ze besprenkelt met vrouwelijke oestrogenen.

Vreemd genoeg is dit precies het onderzoek waarover factchecker Ronald Veldhuizen op 8 februari 2016 de ‘Klopt dit wel’ schreef die Keulemans luttele maanden later als lichtend voorbeeld voor de Volkskrant aanhaalde. Wat heeft factchecken voor zin als zelfs je eigen krant zich er niets van aantrekt?

Griepvirus van 1918 (beeld: CDC)

Mannen en vrouwen

Ook onderzoek bij mensen wijst op verschillende respons bij mannen en vrouwen op influenza, vervolgt Sue: ‘Zelfs de Wereldgezondheidsorganisatie benadrukt dat het ‘geslacht in aanmerking zou moeten worden genomen bij het evalueren van blootstelling aan en gevolgen van influenza’.’ Het rapport van de WHO, Sex, gender and influenza, uit 2010, is buitengewoon lezenswaardig, maar net dat citaat is er niet in te vinden. Wel beschouwingen over de genoemde verschillen in afweer tussen mannen en vrouwen, over de verschillen in toegang tot de zorg en in kwaliteit van de zorg, de wisselende kans op blootstelling door beroep en het extra risico door zwangerschap.
Dan nog is het beeld volgens de WHO gemengd: bij het ene virus sterven meer vrouwen, bij het andere meer mannen en meer postmenopauzale vrouwen, en het kan bovendien van land tot land wisselen. Vandaar dat ‘zelfs’ de WHO het belangrijk vindt leeftijd en geslacht in de overwegingen te betrekken — heus niet vanwege de mannengriep.

Als Sue verwijst naar een studie uit Hongkong waarin volwassen mannen tijdens een griepepidemie een hoger risico op ziekenhuisopname hebben, verzwijgt hij dat de onderzoekers zelf het bewijs ‘beperkt’ vinden, bij sommige epidemieën juist vrouwen vaker werden opgenomen, en dat de verschillen klein zijn. Als hij verwijst naar Amerikaans onderzoek waarin mannen vaker aan influenza overlijden dan vrouwen, verzwijgt hij de verklaring van de onderzoekers dat dit waarschijnlijk te maken heeft met de neiging van het virus plaques in de bloedvaten te destabiliseren met een extra risico op een hartinfarct, het feit dat het een ingewikkelde modelberekening betreft, en de bevinding dat van de mannen tot vijftig jaar er 12 op de 100.000 per jaar overlijden aan zaken die met hun griep zou kunnen samenhangen, van de vrouwen 9 op de 100.000. Bij ouderen zijn de verschillen iets groter, maar evenmin erg relevant qua mannengriep. In heldere cijfers blinkt Sue toch al niet uit.

Huisartsgeneeskundige Kyle Sue

Verdraaid

‘De geslachtsverschillen betreffen ook andere luchtweginfecties dan influenza,’ meldt Sue (terwijl hij het daarvoor al over het rhinovirus had). Hij verwijst naar Oostenrijks onderzoek waaruit zou blijken dat mannen gevoeliger zijn voor complicaties, maar dat Oostenrijks onderzoek gaat daar in het geheel niet over — de term valt niet eens. Vervolgens haalt hij Schots onderzoek aan over het opschorten van dagelijkse bezigheden bij 33 verschillende ziekteverschijnselen als hoofdpijn, slapeloosheid, moeheid, verkoudheid en griep onder verschillende leeftijdsgroepen. ‘De overeenkomsten tussen de seksen was treffend,’ aldus de auteurs, ‘bij slechts een enkel symptoom zeiden vrouwen significant vaker activiteiten op te schorten’. Sue maakt er een onderzoek naar uitsluitend lichte luchtweginfecties van en citeert alleen het tweede deel van de zin, waardoor die zich laat lezen alsof ‘vrouwen significant vaker zeiden activiteiten op te schorten bij slechts een enkel symptoom’ (women were significantly more likely to report cutting down activities in response to only one symptom).

Overdrijven

Zo gaat het voort. De fameuze Common Cold Unit in Salisbury in Engeland verzamelde tussen 1948 en 1989 schatten aan informatie over alle mogelijke aspecten van griep en verkoudheid. Ook hiertussen vindt Sue iets van zijn gading: een onderzoek van Sally Macintyre naar het verschil tussen mannen en vrouwen in de beleving van hun ziekte. In totaal 1700 mannen en vrouwen kregen tijdens een tiendaags verblijf in de Unit hetzij een virus hetzij een placebo, en vervolgens een experimentele behandeling of placebo. Een arts scoorde de ziekteverschijnselen tegelijk met de deelnemers. Volgens de waarnemer liep 41 procent van de vrouwen een verkoudheid op, tegen 36 procent van de mannen. Dat verschil kwam niet terug in de beleving van de deelnemers, vooral niet die van de mannen: ‘Mannen vinden significant vaker dan vrouwen hun symptomen erger dan de waarnemer,’ was de conclusie — het verschil was weer niet heel groot: 20 procent tegen 14 procent. Er waren amper verschillen in klinische verschijnselen als temperatuur, hoeveelheid snot, opgezette klieren, enzovoort.
Macintyre oppert drie verklaringen: mannen overdrijven hun ziektelast, de waarnemer vindt symptomen bij vrouwen erger, of een combinatie van beide. Zelf vindt ze dat die klinische meting toch meer wijst in de richting van de zeurende man — maar ze erkent dat strikt genomen ook de beleving van de patiënt als gouden standaard kan worden genomen, in plaats van de observaties en metingen van de waarnemer. In dat geval zou je kunnen zeggen, zo oppert ze, dat ‘klinische waarnemers ziekte en symptomen eerder aan vrouwen toeschrijven, en dat ze de symptomen van mannen onderschatten.’

En laat dat nu net de enige zin zijn die Sue citeert? Als je niet weet hoe het zit, zou je er zomaar intrappen. De meer voor de hand liggende lezing noemt Sue in het geheel niet.

Blote borsten

Als klap op de vuurpijl verwijst Sue naar een — hij geeft toe onwetenschappelijke — enquête onder 2131 lezers van een populair tijdschrift. Maarten Keulemans was er in de Volkskrant ook erg van onder de indruk:

Een peiling van The BMJ wees al eens uit dat mannen gemiddeld drie dagen moeten bijkomen van een zware verkoudheid, en vrouwen slechts anderhalf.

Waarschijnlijk keek Keulemans met anderhalf oog naar de referentie, want Sue verwijst daarin naar de BMJ van 25 november 2006. Maar in dat stukje, getiteld ‘Are reports of ‘man flu’ just Nuts?’, sabelt Petra Boynton die enquête juist woedend neer. De peiling werd niet uitgevoerd door de BMJ, maar door het mannenblad Nuts (‘Local girls strip off!’, ‘When breasts escape!’); een persbericht zorgde verder voor de media-aandacht. De redactie van Nuts wilde Boynton niet zeggen wat de vragen waren, maar vertelde wel dat de enquête onder de lezers was gepresenteerd als ‘the man flu survey’. Veel vrouwen zullen er onder de lezers niet gezeten hebben, en omdat het een internetenquête was, zullen vooral lezers met belang bij de kwestie de moeite hebben genomen te antwoorden.

Het persbericht van Nuts draafde nog wat vrolijk door: ‘Zegt het voort dat ons vrouwvolk zich meer moet inspannen om voor ons te zorgen wanneer we geveld zijn, zodat ook in de toekomst kasten kunnen worden getimmerd, auto’s kunnen worden onderhouden en voetbalstadions in het hele land goed kunnen worden bezocht.’ Die zin werd door de media destijds maar weggelaten, aldus Boynton, maar Kyle Sue citeert hem compleet, en voegt er nog aan toe dat ‘het slechts enkele van de vele manieren zijn waarop mannelijke virale luchtweginfecties de maatschappij kunnen beïnvloeden’.

Tot besluit komt Sue dan uiteraard met de evolutionaire voordelen van de ‘mannengriep’, maar het is wel mooi zo. Hoe het op de been blijven met een luchtweginfectie de voortplantingskansen van een volwassen vent verkleint, is moeilijk in te zien, en de verschillende speculaties die Sue ten beste geeft, zijn verhaaltjes zoals iedereen ze op een kerstachternamiddag kan verzinnen.

Echt verklaard

Maar er zit nog een ander aspect aan de kwestie. Waarom wil Sue bewijzen dat mannengriep ‘reëel’ is? En vooral: waarom zo? Met endocrinologische, immunologische en evolutionaire argumenten? In het ideale geval zou hij een onderzoek hebben opgezet om aan te tonen dat biologische factoren zwaarder wegen (‘meer variantie verklaren’) in de verschillen tussen mannen en vrouwen dan maatschappelijke. Maar hij komt slechts met dubieuze citaten uit de medische literatuur, waarbij zelfs een begin van een sociologische overweging of een psychologisch inzicht ontbreekt.

In een medisch tijdschrift is dat misschien nog niet eens zo verbazend. Maar Keulemans kiest — net als alle andere journalisten ter wereld — vast niet voor niets juist dit onderwerp uit het kerstbuffet van luchthartigheden. Door mee te gaan met de opvatting dat immunologische en evolutionaire inzichten groter gewicht hebben in de verklaring van menselijk gedrag dan historische of antropologische, werken journalisten keer op keer mee aan het negeren van de sociale wetenschappen en het versterken van een reductionistische wetenschapsopvatting. Het is pas écht verklaard en vermeldenswaard als iemand er biologische factoren bij heeft gehaald. En als er een gen voor is gevonden — godsdienst, misdaad, adhd, echtscheiding, homoseksualiteit — is de opwinding helemaal compleet. Ook al gaat het werkelijk nergens over.

Niemand zal een man zijn aparte ziektegedrag bij verkoudheden heel erg misgunnen, en er zijn tal van interessante alfa- en gamma-vragen over het verschijnsel mannengriep te formuleren — heeft het te maken met man-vrouwinteractie, vindt een man dat hij met griep eindelijk ook eens mag klagen, kunnen mannen slecht tegen plagen, biedt het vrouwen de gelegenheid hun superioriteitsgevoel te verwoorden, houdt het — ‘Dames opgelet’, kopte de website van de Volkskrant — de maatschappelijke verhoudingen in stand? Maar nee: een Canadese dokter produceert een flutstukje over biologische verklaringen van de mannengriep in de BMJ, en de Volkskrant is alle goede voornemens voor het hele jaar prompt vergeten.