Saxion opleiding tot kwakzalver niet erkend 1

We schreven op Kloptdatwel in januari al over de mogelijke erkenning van de Saxion Next HBO opleiding tot CAM-therapeut. CAM staat voor Complementary and Alternative Medicine. Niet bewezen geneeswijzen dus. Er zou onder andere iriscopie, homeopathie en acupunctuur worden onderwezen. Stuk voor stuk laat onderzoek zien dat deze methoden geen werkzaamheid boven het placebo-effect hebben en en het zogenaamde werkingsmechanisme niet bestaat of onmogelijk is of een ander probleem heeft (met irisicopie kan je niets diagnosticeren, homeopathie is gewoon water, acupunctuurpunten verschillen per acupuncturist et cetera).

Inmiddels is het duidelijk geworden dat de opleiding geen erkenning krijgt. De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) liet een verificatiecommissie nog eens goed naar de opleiding kijken en die gaven deze een onvoldoende.

De VtdK meldt: De hogeschool gaat tegen het besluit in beroep. De verificatiecommissie was niet objectief, zegt collegevoorzitter Wim Boomkamp van Saxion Hogescholen. “Als je niet gelooft in alternatieve geneeskunde, kun je bewijzen dat het niet klopt; als je er wel in gelooft, kun je bewijzen dat het wel klopt”, stelt hij. “In het buitenland noemen ze het gewoon evidence based, maar in Nederland is men daar huiverig voor.”

Een onzinnige uitspraak. Bewijs in deze zin is simpelweg het toepassen van de wetenschappelijke methode zoals die internationaal gehanteerd wordt. Doet men dat goed dan is de uitslag over het algemeen duidelijk: geen werkzaamheid (buiten het placebo-effect).

Wanneer men zich niet zo sterk houdt aan de internationale standaard, dan ziet men over het algemeen dat hoe meer men daarvan afwijkt, hoe beter de resultaten worden.

Maargoed, we zullen zien waar het beroep op uitdraait.

Hieronder enkele citaten uit dit 81 pagina’s tellende rapport van de verificatiecommissie:

Met betrekking tot Doelstellingen:

Ook is tijdens het locatiebezoek veelvuldig de vraag aan de orde gekomen in hoeverre de afgestudeerden als behandelaar (en dus genezer) worden gezien. In het addendum kwaliteitsrapport dat de commissie heeft bestudeerd staat letterlijk. “Deze benadering impliceert dat de CAM-therapeut niet alleen een (of meerdere) behandelwijze(n) moet beheersen……”. Daarnaast is gesproken over de naamgeving van de opleiding en over de vraag of deze niet misleidend kan zijn, met andere woorden dekt de vlag in voldoende mate de lading? Het woord “medicine” kan immers de verwachting wekken dat het om een geneeskundige opleiding gaat. [p. 13]

 

Op grond van de bestudeerde documenten en de gesprekken die gevoerd zijn tijdens het locatiebezoek stelt de commissie vast dat er een spanning bestaat tussen de uitermate brede en ambitieuze doelstellingen van de opleiding en de gebrekkige fundatie daarvan in wetenschappelijk onderzoek, waardoor de pretentie van de opleiding wetenschappelijk gezien onvoldoende kan worden waargemaakt. [p. 13]

 

Enkele malen heeft de opleiding aangegeven zich te baseren op de ervaring van 20 – 30 jaar in het CAM domein. De opleiding suggereert hiermee experience based practice gelijk te stellen aan evidence based practice. Dit is allerminst hetzelfde. [p. 13]

 

De pretentie van de adviserende, en soms zelfs behandelende taak van de afgestudeerde CAM-therapeut in combinatie met de breedte van de opleiding vindt de commissie niet in overeenstemming met het instroomniveau (minimaal havo) en de omvang van de opleiding (240 EC). [p. 14]

 

– Oordeel van de commissie
Op grond van bovenstaande overwegingen komt de commissie tot het oordeel onvoldoende met betrekking tot het facet domeinspecifieke eisen. Daarbij speelt met name de overweging een rol dat het werkterrein van de afgestudeerden zeer diffuus en ongrijpbaar is. Daarbij is het aantal profielen waarbij en de wijze waarop de opleiding in haar eindkwalificaties zegt aan de sluiten, dusdanig groot en diffuus dat er geen sprake is van een duidelijke afbakening. [p. 14]

 

De opleiding is bovendien te weinig gevoelig voor de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en zet deze naast de eigen inzichten, zoals die al 20 – 30 jaar de praktijk van de CAM therapeut bepalen. Kortom de opleiding heeft niet definitief gekozen voor een wetenschappelijke fundering, maar blijft vasthouden aan niet op evidence gebaseerde practice. Alles afwegend beoordeelt de commissie het onderwerp Doelstellingen als geheel met een onvoldoende. [p. 16]

Met betrekking tot het Programma:

Daarnaast wordt aandacht besteed aan methodologie. Volgens het leerplanschema CAM 2010-2011 komt dit aan de orde in het vijfde en het zesde jaar. Tijdens het locatiebezoek werd aangegeven dat de studenten tegenwoordig al eerder in aanraking worden gebracht met methodologie, maar geen van de studenten bleek het boek dat daarbij (volgens de docenten al twee jaar) gebruikt wordt, te kennen. [p. 17]

 

De literatuur die in de opleiding wordt gebruikt kan veelal niet worden aangemerkt als wetenschappelijk gefundeerde literatuur. Ook is de commissie van mening dat er onvoldoende sprake is van actuele literatuur. De handboeken die gebruikt worden voor de basisvakken Anatomie en Fysiologie zijn in meerderheid niet de aanbevolen boeken binnen de reguliere (para)medische opleidingen. [p. 18]

 

De literatuur die in de opleiding wordt gebruikt kan veelal niet worden aangemerkt als wetenschappelijk gefundeerde literatuur. Ook is de commissie van mening dat er onvoldoende sprake is van actuele literatuur. De handboeken die gebruikt worden voor de basisvakken Anatomie en Fysiologie zijn in meerderheid niet de aanbevolen boeken binnen de reguliere (para)medische opleidingen. [p. 18]

 

De docenten houden zich, zoals blijkt uit het personeelsbeleid en hun publicatieoverzichten, slechts in zeer geringe mate bezig met het doen van onderzoek. De commissie realiseert zich dat de wetenschappelijke basis voor CAM dun is, gemeten naar westerse maatstaven. Zij heeft echter ook geen documenten gezien die duiden op “niet-westerse” evidence. De commissie vindt het hierdoor des te belangrijker dat de opleiding hiervoor meer naar het buitenland kijkt. Er zijn wel contacten met buitenlandse instellingen, maar bij navraag tijdens het locatiebezoek bleek het daarbij vooral te gaan om de uitwisseling van studenten in het kader van de stage en niet om kennisuitwisseling tussen deze instellingen en de opleiding. [p. 18]

Programma – Toetsing:

Tijdens het locatiebezoek zijn in de gesprekken met leden van de de Raad van Advies en met de docenten enkele zaken aan de orde geweest die ook getoetst zouden moeten worden, zoals de samenwerking met de reguliere geneeskunde en het kunnen bepalen of een klacht van een cliënt “pluis” of “niet pluis” is zodat de behandelaar op goede gronden de cliënt wel of niet (terug)verwijst naar de reguliere geneeskunde. De leden van de Raad van Advies, het werkveld en de opleiding gaven aan dat dit essentiële elementen zijn voor de beroepsuitoefening van de CAM-therapeut. De commissie heeft geen aanwijzingen kunnen vinden dat deze zaken inderdaad in de opleiding worden getoetst. [p. 27]

 

Het is de commissie niet duidelijk waar en op welke wijze de samenwerking met de reguliere geneeskunde wordt getoetst en op welke wijze wordt getoetst of een student in staat is om het onderscheid tussen “pluis” en “niet pluis” te maken. De anamneses die de commissie heeft bestudeerd zijn uiterst uitvoerig. De conclusies die op basis van de gegeven antwoorden worden getrokken, zijn echter uiterst mager. Veelal berusten deze op voedingsadviezen (domein van de diëtist) en een enkele maal op herstel van het “lichaamsbalans- sympatisch – parasympatisch evenwicht”. Slechts driemaal wordt aangegeven dat (terug)verwijzing naar de specialist gewenst is. Terugverwijzing naar de huisarts wordt niet overwogen. In die gevallen dat ten minste psychologisch of psychotherapeutisch advies gewenst lijkt, wordt dat niet vermeld. De commissie is van mening dat men hier volledig over het doel heen schiet. De cliënten worden zeer uitvoerig bevraagd over eerdere ziekten, huidige klachten zowel psychisch als lichamelijk, voedingsgewoonten, lichaamsfuncties (voornamelijkl excretiepatronen), (zelf) medicatie, en diagnoses in de reguliere gezondheidszorg. Op bijzondere klachten van de cliënt wordt veelal niet doorgevraagd. Bepaalde door de cliënt aangegeven symptomen: bv. veelvuldige infecties, trillingen, zweverigheid zijn geen aanleiding om bijvoorbeeld een latente diabetes te overwegen. Ook de huisarts heeft dat overigens niet gedaan. De voorgestelde behandelingen zijn in alle gevallen symptomatisch gericht. [p. 27]

Wat opmerkelijk is, aangezien een veel gehoorde ‘beschuldiging’ uit de alternatieve hoek juist is dat de reguliere geneeswijzen slechts aan symptoombestrijding zouden doen.

De behandelingsadviezen: dieetadvies, herstel van balans, levensstijladvies, fytotherapie, worden aan vrijwel iedere cliënt, zonder enige differentiatie gegeven. [p. 28]

Niet verrassend scoort de opleiding ook op het onderdeel Programma scoort de opleiding een onvoldoende.

Inzet Personeel:

Op pagina 29 kunnen we lezen dat de opleiding veel docenten uit de praktijk in dienst heeft die zelf geen opleiding hebben genoten op het niveau HBO-bachelor. De opleiding wil daar iets doen door ze eerst wat scholing te laten volgen.

Docenten die niet beschikken over een diploma op het niveau van een hbo bachelor moeten een cursus Wetenschapsleer van de Open Universiteit (OU) (van 1 EC) doen (…). [p. 29]

En dat vindt de commissie positief maar een tikkeltje summier.

Tijdens het locatiebezoek is met het management gesproken over de kwaliteit van de docenten en over het feit dat een aantal docenten alleen een CAM-opleiding heeft gedaan. Deze docenten worden volgens het management alleen ingezet voor de praktijklessen. [p. 29]

 

De commissie is van mening dat er teveel docenten zijn die onvoldoende gekwalificeerd zijn om les te geven aan een hbo-opleiding. Zoals blijkt uit de bevindingen, is niet alleen ongeveer de helft van de docenten qua vooropleiding niet gekwalificeerd, maar ook de wel hbo of wo opgeleiden zijn dat veelal in een vakgebied dat geen directe relatie heeft met het CAM onderwijs. De programmaonderdelen waarvoor docenten worden ingezet, sluiten niet altijd aan bij hun achtergrond. De commissie dringt erop aan dat de opleiding geen docenten meer inzet die niet minimaal aantoonbaar hbo-bachelor niveau hebben. De remediërende maatregelen (zoals de OU-cursus van 1 EC) vindt de commissie volstrekt ontoereikend. Ook is de commissie van mening dat deze maatregelen te vrijblijvend zijn voor de zittende docenten.
Vijf docenten zijn gepromoveerd, maar de commissie is niet in alle gevallen onder de indruk van hun publicaties. Enkele docenten zijn nog steeds werkzaam aan een universiteit, maar slechts een enkele docent heeft recente, gerefereerde internationaal gepubliceerde publicaties. De publicaties van de docenten zijn op basis van de opgave door de opleiding niet goed te beoordelen. Het aantal docenten dat publiceert in internationaal gerefereerde wetenschappelijke tijdschriften (de opleiding claimt internationale oriëntatie) is zeer gering. Veelal worden lezingen en boekbijdragen (de laatste in eigen beheer) als publicaties opgevoerd. Dit is niet conform de hiervoor gebruikelijke norm. Samenvattend: de opgevoerde publicatielijst is onvoldoende, ook onder de erkenning dat het hier om docenten aan een hbo- opleiding gaat. [p. 31]

En ook Inzet Personeel krijgt een onvoldoende.

Het gaat nog even door over alumni die niet volgens de HBO-normen zijn afgestudeerd, scripties van erbarmelijke kwaliteit, eind-beoordelaars die ook begeleiders zijn etc.

De commissie vindt het positief dat de opleiding meer aandacht dan voorheen wil besteden aan methodologie. Gepromoveerde docenten verzorgen desbetreffende modules. Toch is de commissie van mening dat de opleiding in het programma nog steeds te weinig aandacht besteedt aan methodologieonderwijs en dat dit bovendien los lijkt te staan van de rest van het programma. Hoewel de commissie tijdens het locatiebezoek van het management heeft gehoord dat er ook in andere modules aandacht wordt besteed aan methodologie, heeft de commissie dat noch op grond van de moduleboeken noch op grond van de Handleiding praktijk kunnen vaststellen. Tot verbazing van de commissie bevat het zevende jaar van de deficiëntieprogramma’s geen aanvullende methodologiemodules. Dit betekent dat de vier
alumni in feite nog op grond van het oude (ANH) programma, dat qua methodologie niet voldeed aan de hbo-normen, zijn afgestudeerd. Dit betreurt de commissie in hoge mate. Het belangrijkste aanknopingspunt voor de commissie voor de beoordeling van het gerealiseerde niveau vormen de vier afstudeerwerken. De commissie komt na bestudering van elk afstudeerwerk door twee commissieleden tot de conclusie dat slechts een van de vier afstudeerwerken voldoet aan de eisen die gesteld kunnen worden aan een opleiding op hbo bachelorniveau. Dit komt onder andere tot uiting in de aanpak die de studenten hebben gevolgd en de gebrekkige wijze waarop zij gebruik hebben gemaakt van methodologie. De gekozen methodologie wordt in geen enkele scriptie helder verantwoord. Bij twee afstudeerscripties is de kwaliteit van de referenties sterk onder de maat. Bij een scriptie verwijst de schrijver voornamelijk naar websites en is de literatuur waarnaar verwezen wordt
niet van wetenschappelijke kwaliteit. Op de websites is de informatie waarnaar verwezen wordt bovendien moeilijk te vinden. Bij een andere scriptie heeft de commissie incorrecte referenties aangetroffen die onvoldoende onderbouwing geven aan hetgeen in de scriptie wordt gesteld. In de meeste scripties bestaat een gebrek aan consistentie tussen de oorspronkelijke probleemstelling, de (sub) doelstellingen van het onderzoek, de wijze van rapporteren en de uiteindelijke conclusies. [p. 37]

Enkele opmerkingen hadden betrekking op samenwerking met de rest van Saxion Hogescholen:

Tijdens het locatiebezoek is met het management en met de docenten gesproken over de relatie van de opleiding met (toegepast/praktijkgericht) onderzoek. Binnen Saxion Hogescholen zijn diverse lectoraten, maar daarmee is bewust (nog) geen verbinding gelegd. Dit blijkt onder andere uit de antwoorden op de vragen die de commissie voorafgaand aan het locatiebezoek aan de opleiding heeft gesteld. Daarin zegt de opleiding dat zij “geen enkel risico wil nemen de reputatie van het lectoraat te besmetten met een onverhoopt negatieve uitkomst van het accreditatieproces”. Er zijn volgens het management wel plannen voor het opzetten van een eigen lectoraat, maar dit zou pas gebeuren nadat de opleiding is geaccrediteerd. Hoewel verschillende docenten werkzaam zijn bij universiteiten of andere hogescholen, is ook geen verbinding gezocht met andere instellingen. Evenmin is binnen Saxion Hogescholen of Saxion Next gekeken naar verbindingen met  aanpalende vakgebieden. Voor studenten van de opleiding CAM bestaat dan ook niet de mogelijkheid om tijdens hun opleiding via een lectoraat met (praktijkgericht) onderzoek in aanraking te komen. [p. 17]

 

De opleiding heeft (nog) geen aansluiting gezocht bij bestaande onderzoeksprogramma’s (bijv. binnen lectoraten). De opleiding stelt zich hierin zeer afwachtend op, in tegenstelling tot veel andere hbo-opleidingen die hier wel actief in zijn. De opleiding motiveert dit door te zeggen dat hbo-opleidingen nog in een beginstadium  staan wat betreft het verbinden van onderwijs en onderzoek. Dit is echter niet het geval, aangezien lectoraten al geruime tijd gangbaar zijn binnen het hbo. De commissie kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er bij de lectoraten weinig of geen belangstelling bestaat om relaties met de opleiding aan te gaan. [p. 18]

Van de 6 onderdelen van de scoort de opleiding alleen op ‘voorzieningen’ een voldoende. Alle inhoudelijk relevante onderwerpen zijn met onvoldoende beoordeeld.

Opmerkelijk was dat Gerda Zaalberg een van de CAM-docenten was, waar de verificatiecommissie mee sprak, want daar heb ik ook ooit een gesprek mee gehad.