Consensus of nonsensus? 1

Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Vivian Oei.

Richtlijnen zijn in de geneeskunde niet meer weg te denken en zij vervullen een uiterst nuttige functie. Artsen kunnen er de stand der wetenschap in vinden en zullen vooral naar richtlijnen grijpen bij aandoeningen die niet direct hun speciale aandacht hebben of waarbij onzekerheid bestaat over de te volgen praktijk. De CBO-richtlijnen komen vrijwel steeds multidisciplinair tot stand, terwijl de huisartsen- en specialistenverenigingen ook hun eigen richtlijnen en standaarden maken.

De neiging om breed draagvlak te creëren leidt er bij de CBO-richtlijnen vaak toe dat ook vertegenwoordigers van patiëntenverenigingen mogen meedoen en ook werden alternatieve behandelaars meer dan eens toegelaten. Aangezien er door dit beleid niet meer alleen deskundigen in de voorbereidingscommissie zitten, dan liggen problemen echter op de loer. Twee voorbeelden.

Afgelopen februari verscheen de CBO-richtlijn over het chronischevermoeidheidssyndroom CVS en hoewel zij vertegenwoordigd waren in de commissie wezen de patiëntvertegenwoordigers de richtlijn direct af. De patiënten blijven van mening dat er een biologische oorzaak voor CVS bestaat, terwijl die in de wetenschappelijke literatuur niet te vinden is. Men denkt baat te hebben bij supplementen of schrijft chronische infecties toe aan hormonale of immuunstoornissen die nooit zijn gevonden. Dat de richtlijn alleen cognitieve gedragstherapie als behandeling adviseert, daarmee zijn de ME/CVS Stichting en de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid het eveneens oneens en ze dienden al een protest in bij ZonMW die de totstandkoming van de richtlijn financieel ondersteunde.

Tweede voorbeeld betreft de Ketenzorgrichtlijn Aspecifieke Lage Rugklachten, die in 2010 door het CBO werd opgesteld. In de commissie zaten naast reguliere medici als orthopeden, neurologen, reumatologen en dergelijke ook twee patiëntenorganisaties en twee alternatieve clubs, de Nederlandse Chiropractoren Associatie en de Nederlandse Vereniging voor Manuele Therapie. Terwijl de wetenschappelijke literatuur nergens laat zien dat manipulatie van de rug of meer specifiek (zoek de verschillen!) chiropraxie een gunstig effect hebben op deze klachten, stond met de samenstelling van deze brede commissie al vast dat er toch naar een indicatie voor deze krakers gezocht zou moeten worden. De orthopeden en neurologen zullen zich verbeten hebben, maar de richtlijn stelt nu dat bij aspecifieke lage rugpijn, die na 2-3 weken nog niet over is, zowel oefentherapie als manipulatieve therapie kan worden ‘overwogen’, omdat het soms ’kan helpen’. Als lid van een eventueel ‘rugteam’ wordt ook de chiropractor genoemd, maar bij chronische lage rugklachten wordt manipulatie expliciet ontraden, samen met TENS, ruggordels, interferentie, ultrageluid, lasertherapie tractie en massage.

Tuchtrechters en burgerlijke rechters houden erg van richtlijnen, want daaraan kunnen zij makkelijk toetsen of bepaalde behandelingen conform de beroepsstandaard zijn uitgevoerd. En het was daarom hinderlijk dat de Vereniging tegen de Kwakzalverij, tegen wie de Amsterdamse chiropractor Adam Langweiler in mei jl. een kort geding had aangespannen, tegenover de rechter niet kon stellen dat chiropractie in geen enkele officiële richtlijn te vinden is. De advocaat van de chiropractor zwaaide – gelukkig tevergeefs – met voornoemde Ketenrichtlijn en wij wonnen wel, maar dat had – met een minder slimme rechter – ook zo maar anders kunnen aflopen.

MC-columnist en neuroloog Emile Keuter pleitte in Medisch Contact naar aanleiding van de heibel over de CVS-richtlijn tegen het opnemen van patiënten in richtlijncommissies en ik ben geneigd hem gelijk te geven. Ik zou mutatis mutandis ook willen pleiten tegen de toelating van alternatieve genezers in deze commissies: polderen is leuk, maar de negatieve gevolgen zijn beslist niet verwaarloosbaar. Met wetenschappelijke strengheid is uiteindelijk ook de patiënt en zij die risico lopen dat te worden het meest gebaat.