Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij.  Foto: Klaas Jaarsma

Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Klaas Jaarsma

Eerder berichtte ik over mijn teleurstellende ervaringen met de voorzitter van de Raad van Bestuur van het UMCG en met de directeur van Triade, de vastgoedclub gelieerd aan het UMCG, die gebouwen verhuurt aan bedrijven, die samenwerking zoeken met wetenschappelijke onderzoekers.
Nadat een rechter de universiteit Groningen als voorbeeld had genoemd waar acupunctuur-onderwijs onderdeel uitmaakt van de medische studie, werd het pleit beslecht in het voordeel van de acupuncturist. Getriggerd door die rechtszaak verzocht ik het UMCG-bestuur in de persoon van voorzitter mr. Aartsen het Hwa To Centre de huur op te zeggen. Er werkt daar ook nog eens iemand die zich ten onrechte arts en dokter noemt: titelfraude, terwijl de andere medewerker slechts tandarts is. Vrolijk beweert men o.a. schizofrenie, neurose, depressie en het ‘maken/herstellen van een anusopening (proctotomieklachten)’ te kunnen behandelen met acupunctuur.

Potten met Chinese kruiden (?)  in het Hwa To Centre

Potten met Chinese kruiden (?) in het Hwa To Centre

Eind september zette ik mijn queeste voort: ik werd zelf tot arts opgeleid in Groningen en die tolerantie t.o.v. het kwakzalvershol, dat het UMCG aan zijn borst koestert, is voor mij als alumnus extra onverdraaglijk. Ik meldde bij het IGZ-loket dat ‘dokter Yu-Shu Liu’ in Nederland geen dokter is en ook geen Groningse professor. Ik verzocht de betrokkene eerder al om zelf van die onverdiende titulatuur af te zien, maar dat deed ze niet. Mogelijk een gevalletje taalbarrière, de vrouw spreekt geen Nederlands.
Ook schreef ik vervolgens een intercollegiale brief aan de decaan van de Groningse medische faculteit, waarin ik hem op de hoogte bracht van de negatieve reacties van Aartsen en van Triade. Ik verwachtte bij hem, medicus immers, meer begrip voor het feit dat acupunctuur toch echt als kwakzalverij beschouwd moest worden en vroeg hem of ik hem soms van dienst kon zijn met het maken van ‘ketelmuziek’ nu de RvB-voorzitter van het UMCG niet gevoelig bleek voor mijn argumentatie. De vreemde indruk, die een alternatief centrum binnen het UMCG-terrein moet maken op de argeloze burger: het kan hem kennelijk weinig schelen. De decaan is Kuipers en hij is kinderarts.
Toen ik een week later van hem geen reactie had gekregen, toen besloot ik mijn eerste stuk erover op deze site te publiceren. Verheugd was ik toen ik eind oktober alsnog een brief op UMCG-papier ontving, maar helaas: niet van collega Kuipers, maar wederom van … mr. Aartsen! Wat bleek mij al ras: de decaan maakt deel uit van het UMCG-bestuur, samen met een register accountant en hoogleraar gynaecologie Van der Zee! Kuipers had mijn aan hem als decaan gerichte brief als een hete aardappel doorgeschoven naar mr. Aartsen en onthield zich zelf van een reactie. Ik vind het nog steeds merkwaardig dat de ene collega de ander niet wenst te beantwoorden, maar de post liever laat beantwoorden door de afdeling PR (zoals ik met het VUmc eens meemaakte) of door beroepsbestuurders, die vermoedelijk binnen de Raad van Bestuur de dienst uitmaken. Zo gingen dokters vroeger toch niet met elkaar om.

Aartsen legde nog wel uit dat het Groningse acupunctuuronderwijs facultatief wordt gegeven in het kader van de competentie ‘maatschappelijk handelen’, onderdeel van het verplichte Raamplan Artsopleiding 2009. Of er nog stage wordt gelopen bij dokter Yu-Shu Liu, die vraag bleef onbeantwoord. Mijn half badinerende en typisch intercollegiale vraag of ik hem als decaan misschien kon helpen met het maken van ‘ketelmuziek’ werd nu op afgepaste toon door mr. Aartsen van commentaar voorzien: het betreft een ‘oneigenlijk pressiemiddel’ en het UMCG laat zich daardoor niet onder druk zetten. Verdere correspondentie leek Aartsen niet zinvol. Die conclusie had ik zelf inmiddels ook al getrokken. Men sluit de gelederen en denkt vermoedelijk: ‘Het zijn natuurlijk wel kwakzalvers, maar het zijn nu een keer onze kwakzalvers.’