Jan-Willem van Prooijen is de laatste spreker van het Skepsis-congres 2010: de psychologie van het geloof in complottheorieen.

Dit bericht is eerder gepubliceerd op 26-11-2010. UPDATE 28-01-2011: onderaan de pagina staat de video van deze presentatie samen met de gebruikte powerpoint presentatie.

Dit is een samenvatting van de lezing:

De psychologie van het geloof in complottheorieën.

Jan-Willem van Prooijen is Associate professor aan de Vrije Universiteit van Amsterdam

In deze lezing gaat Jan-Willem van Prooijen in op de psychologische aspecten van het geloof in complotten. Daarbij is het niet relevant of een complottheorie waar is of niet: het gaat om hoe en waarom mensen in complotten geloven, vooral om welke psychologische factoren mensen gevoelig maken voor geloof in complottheorieën.

Van Prooijen verstaat onder een complottheorie: de verdenking dat een bedreiging van de sociale orde opzettelijk gepland en uitgevoerd werd door een kwaadaardig complot, vaak van legitieme autoriteiten of instituten. Een complottheorie ontstaat vooral na bedreiging van de sociale orde; deze bedreiging kan reëel en objectief zijn, maar ook irreëel en subjectief.

De 2 hoofdstellingen van Van Prooijen zijn:
1.  Complottheorieën zijn psychologisch gezien functioneel: mensen hebben behoefte om betekenis te verlenen aan stressvolle sociale gebeurtenissen en complottheorieën komen tegemoet aan deze behoefte.
2.  Complottheorieën zijn een reactie op grote maatschappelijke gebeurtenissen: mensen zoeken voor een groot gevolg graag naar een grote oorzaak.

Uit onderzoek blijkt (Whitson & Galinsky, 2008; Science) dat onzekerheid en gebrek aan controle de behoefte om betekenis te verlenen versterken. Mensen zien eerder onterecht patronen nadat ze een situatie in herinnering hebben geroepen waarin ze geen controle hadden. Uit ander onderzoek blijkt dat het identificeren van specifieke, benoembare vijanden effectiever is in het reduceren van angst dan het erkennen van het bestaan van toeval. Mensen vrezen toeval meer dan onrechtvaardigheid.

Van Prooijen heeft samen met anderen een vijftal studies uitgevoerd, waarvan hij de resultaten kort belicht. Voor de toehoorders is het wel even goed opletten, want in de getoonde statistieken begint de schaal van de staafjes niet bij 0!

Studie 1: Noord-Zuidlijn in Amsterdam
Insteek: manipulatie van controle.

Dit onderzoek had dezelfde opzet als dat van Whitson & Galinsky en besloeg o.a. vragen over corruptie bij gemeenteraadsleden. In de antwoorden maakte het verschil of mensen vooraf hadden gedacht aan een situatie met veel controle, een situatie met weinig controle, of een controleneutrale situatie.

De waargenomen immoraliteit van een autoriteit blijkt een goede indicator voor geloof in complottheorieën te zijn. Wanneer iemand als moreel goed wordt gezien, is complotdenken minder aan de orde. Denk bijv. aan de gestegen populariteit van George W. Bush na de aanslagen van 11 september 2001, of het geloof in God na rampspoed. Immoraliteit is zelfs een randvoorwaarde voor complotdenken. Oftewel gebrek aan controle leidt tot geloof in complotten mits de betreffende autoriteit als immoreel wordt gezien.

Studie 2: Aanslagen van 11 september 2001 (‘9/11’)
Insteek: behoefte aan structuur.

Dit onderzoek besloeg vragen over de regering van George W. Bush en onderzocht de invloed van de behoefte aan structuur, het kunnen omgaan met onzekerheid. De correlatie tussen waargenomen immoraliteit en geloof in complotten bleek sterker voor mensen die behoefte aan structuur hebben.

Studie 3: Westerse oliemaatschappijen
Insteek: manipulatie van moraliteit.

Dit onderzoek besloeg vragen over westerse oliemaatschappijen en de oorlog in Irak. Vooraf hadden mensen een stuk te lezen gekregen waarin westerse oliemaatschappijen als moreel of juist als immoreel werden afgeschilderd. In de antwoorden maakte het verschil of mensen vooraf hadden gedacht aan een situatie met weinig controle of een controleneutrale situatie.

Uitkomst: combinatie onzekerheid + immoraliteit = complotdenken.

Studies 4 en 5: Het ongeluk van ‘Yayi Godo’ uit Benin
Insteek: manipulatie van emotionele betrokkenheid.

Yayi Godo is een fictief persoon in een fictief krantenbericht in studie 4. Godo is oppositieleider in Benin en krijgt een auto-ongeluk. De mate van dreiging in het bericht kon zijn: groot (Godo overlijdt) of klein (Godo herstelt). In de antwoorden maakte het verschil of mensen vooraf het subjectieve perspectief hadden genomen van Godo zelf of afstand hadden genomen voor een objectieve beschrijving.

Uitkomst: combinatie subjectief perspectief + grote dreiging = complotdenken.

De opzet van studie 5 was gelijk aan die van studie 4, maar dan met het perspectief van een inwoner van Benin i.p.v. Godo zelf. Dit lost het mogelijke probleem op van het moeten nemen van het perspectief van een overleden persoon. De uitkomst is gelijk aan die van studie 4.

Ten slotte
Er dient zich een nieuwe onderzoeksvraag aan: Hoe kunnen we complotdenken tegengaan? De hypothese is dat transparantie helpt. Ter afsluiting geeft Van Prooijen daarom ‘openheid van zaken’ en laat weten dat zijn onderzoek gefinancierd werd door de CIA, MI6, de Mossad en het Nederlandse ministerie van Defensie. Dus in hoeverre wij hem kunnen geloven…