Het is weer raak op de Radboud Universiteit in Nijmegen. Was er vorig jaar ophef over een bedroevend slecht proefschrift over acupunctuur, dit jaar trakteert de universiteit ons op een promotie op andere pseudowetenschappelijk gebied, het Enneagram. Het Enneagram Model onderscheidt negen persoonlijkheidstypen en is  volgens sommige beoefenaars gebaseerd op eeuwenoude soefiwijsheid. In de Verenigde Staten, maar ook in Nederland heeft het Enneagram inmiddels een plekje veroverd in het brede spectrum aan methodes voor persoonsontwikkeling, coaching en management. En dat terwijl er nauwelijks wetenschappelijk bewijs is voor de beweringen die eraan worden opgehangen.

Volgende week, op dinsdag 26 september, zal Claudia Hoekx aan de Radboud Universiteit (RU) promoveren op een proefschrift over de gebruikswaarde van het Enneagram. Wie verwacht dat haar onderzoek duidelijkheid verschaft over de (pseudo)wetenschappelijke status van het Enneagram, komt bedrogen uit,  zal ik maar vast verklappen. Voor een korte uitleg over wat het Enneagram Model (EM) inhoudt en wat de ontstaansgeschiedenis is, verwijs ik de lezer naar het artikel dat Rob Nanninga in 2000 in Skepter schreef: Occulte karaktertypen – De doodzonden van het enneagram  (Skepter 13.2, 2000)

Buitenpromovenda

Hoekx is aan haar onderzoek begonnen na een master Religiestudies aan de RU. Haar belangrijkste motivatie om iets met het EM  te doen, lijkt te schuilen in mogelijkheid er ook spirituele zaken aan op te hangen.

Haar promotietraject verliep niet bepaald vlekkeloos. In een artikel in het universiteitsmagazine VOX van april 2016 over buitenpromovendi, wordt ‘haar geval’ naar voren gebracht. In eerste instantie was hoogleraar Peter Nissen haar promotor, maar daar raakte ze mee in conflict over de te bewandelen weg in haar onderzoek. Paul van der Velde, net als Nissen hoogleraar aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen aan de RU, werd haar nieuwe promotor, en aan Nyenrode Business University werd prof. dr. Rob Blomme gevonden als tweede promotor. Van der Velde gooide echter in september 2015 de handdoek in de ring, omdat hij niet zag hoe de insteek van Hoekx ooit tot een verdedigbaar proefschrift zou leiden. In ieder geval niet onder zijn begeleiding: “vastgelopen op de alom aanwezige normativiteit van de onderzoekster” en “nog steeds geen heldere kritisch-afstandelijke vraagstelling”.

Uiteindelijk is er, nu aan de Faculteit Managementwetenschappen, dan toch iemand gevonden die Hoekx naar de eindstreep heeft weten te begeleiden: prof. dr. Willem de Nijs, hoogleraar emeritus Strategisch Personeelsmanagement. Het traject resulteerde in een lijvig proefschrift van meer dan 400 pagina’s met als titel “The usefulness of the Enneagram model in The Netherlands”.

Wetenschappelijk basis voor het Enneagram model?

In haar proefschrift inventariseert Hoekx eerst wat er al zoal aan onderzoek is verschenen op dit gebied en vindt onder andere de doctoraalscriptie van Martijn Cremers (Tilburg University, 2005). Cremers onderzocht of je het EM terug kunt vinden in een ander persoonlijkheidsmodel:

Het FFM – Five Factor Model – is een algemeen geaccepteerde indeling voor de persoonlijkheid. In essentie draait persoonlijkheid om stabiele eigenschappen aangeduid als de ‘Big Five’: Dominantie, Altruïsme, Consciëntieusheid, Neuroticisme en Openheid.

Cremers’ conclusie luidt:

De basis – negen types en drie emotiecentra – van het Enneagrammodel is niet als zodanig terug te vinden. Er zijn aanwijzingen dat er samenhang is tussen de Enneagramtypes en de bijbehorende emotiecentra. Tevens zijn er samenhangen tussen de Enneagramtypes en de FFM variabelen.

De afsluitende paragraaf van Cremers’ scriptie bevat een aangename verrassing:

In mijn voorwoord heb ik geschreven dat ik aan de ene kant de critici van het model meer helderheid en duidelijkheid over het Enneagram wil bieden en aan de andere kant het met ze eens ben dat er een wetenschappelijke basis nodig is. Ik wil me daarom tot besluit aansluiten bij de scepticus Nanninga (juni 2000, www.skepsis.nl)
“Bestudering van het Enneagram hoeft niet bij voorbaat nutteloos te zijn. Het kan ons bewust maken van bepaalde verschillen tussen mensen, het kan begrip kweken voor het gedrag van anderen, het kan een manier zijn om orde te scheppen in de chaos, of het kan ertoe bijdragen dat we beter naar onszelf gaan kijken en misschien pogingen ondernemen negatieve aspecten te veranderen. Het lijkt mij echter verstandig om zulke doelen met wat minder occulte en meer wetenschappelijke middelen na te streven.”

Hoekx negeert dit onderzoek net niet helemaal, maar wijst liever op oudere (Amerikaanse) studies die zouden laten zien dat het EM wel terug te vinden is in andere persoonlijkheidsmodellen. Ze vergeet op te merken dat de persoonlijkheidsmodellen die daarbij als referentie gebruikt werden (o.a. Myer-Briggs Type Indicator) op zichzelf ook geen beste wetenschappelijke status hebben, in tegenstelling tot het FFM wat Cremers gebruikte.

Erg grondig blijkt Hoekx overigens niet te werk gegaan bij het opsporen van die andere proefschriften. Van de oudste studie (Wagner, 1981), die naar dit aspect van het EM kijkt merkt ze op: ”The preview could not make clear to the researcher whether this study was done qualitatively or quantitatively in 1981,[..]”. Bij haar literatuurverwijzing geeft ze een ellenlange link naar waar ze dit stuk vandaan heeft en daar staat inderdaad alleen een ‘preview’ van de eerste 24 pagina’s. Ik vond echter in drie muisklikken een pdf van de hele dissertatie. Snel doorscrollen laat zien dat Wagner het kwantitatief aanpakt, maar daarbij ook nauwelijks oog heeft voor het gevaar van meervoudig toetsen bij het aanwijzen van significante verbanden.

Al deze onderzoeken mogen dan, als we statistische onvolkomenheden even door de vingers zien, aantonen dat het EM intern consistent is, en betrouwbaar in de zin dat het EM type van personen nauwelijks verandert. Maar dat betekent nog niet dat het model ook een bruikbaar model is voor wat je er mee wilt doen. Volgens Nanninga in Skepter:

De waarde van zulke persoonlijkheidsprofielen is nogal beperkt omdat ze slechts in geringe mate correleren met het feitelijke gedrag. Dit gedrag is niet consistent en hangt in hoge mate af van de situatie. Als we weten dat iemand een ander heeft geholpen, kunnen we daaruit gewoonlijk niet afleiden dat hij onder andere omstandigheden eveneens hulp zal bieden.

Sociaal-constructivisme

Voor Hoekx lijkt de afwezigheid van zo’n wetenschappelijk fundament sowieso niet een heel belangrijke kwestie. Ze laat immers zien dat de onderzoeken die positief uitpakken voor het EM gebaseerd zijn op telkens andere invullingen van het EM, zodat het maar de vraag is of je kunt spreken van een groeiende verzameling aan bewijs dat steeds sterker wijst op de correctheid van het model. En de enige studie die in Nederlandse context is uitgevoerd, waarbij een wetenschappelijk geaccepteerd referentiemodel werd gebruikt, pakt negatief uit. En dan schrijft ze:

A topic that is raised by this, is: wat [sic] is the ground on which one decides that a model is a model in scientific research? In the discussed EM studies, this has been done mainly in a quantitative way. This method could be outdated. For example, the fact that people consider a model as a model is in socio-constructivist research sufficient to speak of a model as a model. From a social-constructivist point of view , the validity of a model is not something that is absolute, but something that users grant. However, the EM has not been investigated according to this paradigm.

Hoekx legitimeert haar onderzoek door te wijzen op het feit dat het EM in Nederland al veel wordt gebruikt, maar de vraag of dat gebruik zelf legitiem is op grond van het beschikbare wetenschappelijk bewijs voor het EM verwaarloost ze.
Over haar onderzoeksopzet:

The research design was based on social constructivism on methodological grounds because a realistic EM research design was not seen as the most realistic option. This implied that logically seen the attitude of the researcher was subjective, the epistemology relativistic, the methodology qualitative, and the research question was an open question.

Dit onderzoek bestaat naast het literatuuronderzoek wat ik kort besprak, uit het analyseren van interviews met coaches die jarenlange ervaring hebben in het gebruik van het EM, en managers die het EM toepassen in hun omgang met personeel.
Ondanks het beroerde Engels is het literatuuronderzoek nog best leesbaar. Deze status quaestionis is een cadeautje van Hoekx, en eigenlijk overbodig voor haar onderzoek. Ten eerste omdat er geen eerder EM onderzoek gedaan is in de Nederlandse context (hier negeert ze Cremers dus bewust, omdat dat geen dissertatie betreft, maar ‘slechts’ een doctoraalscriptie). En ten tweede omdat zoiets overbodig is in die sociaalconstructivistische opvatting van wetenschap bedrijven, waarin de onderzoeker vooral lekker blanco moet beginnen met zich onderdompelen in het onderzoek.

Wanneer Hoekx het heeft over de twee paradigma’s waarmee je volgens haar wetenschap kunt bedrijven, haak ik bijna voorgoed af. De ene, waar skeptici mee uit de voeten kunnen, gaat uit van een objectivistisch wereldbeeld, een realiteit die er ook is als we zelf niet kijken. In het sociaalconstructivistische paradigma komt kennis alleen tot stand middels interactie en is alles subjectief. [*] Het levert proza als dit op:

The objective in social constructivist research is not to identify the absolute truth, but to identify a phenomenon in such a way that the layering of the meaning of a construct, like the EM usefulness, is mapped although it is on forehand space-time limited. ‘Facts’ in social-constructivist research only have meaning in a network of research values. Knowledge claims are by definition context dependent and cannot be generalized. An important criterion for this kind of research is not causality as in realistic research, but the viability of knowledge. Viability implies the value the research has for science and society, for example: in enlivening a public debate or for policy making.
In  other words, if the EM usefulness is examined in a social-constructivist paradigm, then research results can be seen as interpretation of interpretations that map the layering of the construct EM usefulness. The results have sense in a network of research values that are societally more or less viable.

Na het lezen van dergelijke teksten, vroeg ik me af waarom Hoekx eigenlijk zo graag wilde promoveren. Maar na even nadenken, begreep ik het wel: zo’n promotiebul kun je natuurlijk zien als een interpretatie van interpretaties die de gelaagdheid van het construct promotie aan Nederlandse universiteiten blootlegt en zo betekenis krijgt in een netwerk van onderzoekswaarden die min of meer levensvatbaar zijn gebleken in onze samenleving …

Kritiek op critici

Wat verderop in het proefschrift komen we nog een hoofdstukje ‘Criticism on the EM’ tegen waar Hoekx naast wat opmerkingen uit slechts één proefschrift (Alber, 2010) tot mijn verrassing ook nog Nanninga aanhaalt! Ik had dat eigenlijk niet meer verwacht, want een van de eerste dingen die ik deed toen ik het boekwerk in handen kreeg, was in de literatuurlijst opzoeken of zijn Skepter-artikel daar bij stond, wat niet het geval is.
Van de kritiek van Nanninga pikt ze alleen op dat de enneagramtypes “niet duidelijk [zijn] vastgelegd, zodat de auteurs niet allemaal dezelfde eigenschappen aan een type toeschrijven. Op grond van hun persoonlijke ervaringen leggen ze soms andere accenten of verbanden.” Volgens Hoekx is dat begrijpelijke kritiek, maar niet problematisch voor het EM of de toepassing ervan:

The critics formulated by Nanninga are understandable if one considers that the EM typology often is described in terms that refer to external visible behaviour while it is all about the inner drive, strategy, or worldview which underlie the outward behaviour. This inner strategy is difficult to catch directly in words, so, it has been described metaphorically. However, the metaphorical description can in various ways and that might explain the huge amount of different EM type descriptions. […]
In other words, these critics stem from the fact that the EM is entrusted to paper. Who takes orally knowledge of the EM has the possibility to feel or experience directly what kind of inner strategy is most appropriate by directly recognizing the spoken energy.

Om met de grote filosoof JC (Johan Cruijf) te spreken: “Je gaat het pas zien als je het doorhebt.” Of deze opvattingen van Hoekx nog iets met zinnige wetenschapsbeoefening te maken hebben, waag ik te betwijfelen. In plaats van te verhelderen, maakt ze steeds meer een black box van het EM, waarvan de waarde alleen maar door de beoefenaars zelf ondervonden kan worden. De critici hebben zich volgens Hoekx ook alleen maar gericht op het EM als persoonlijkheidsmodel, maar niet op EM als spiritueel model. Dat laatste is dan misschien wat Hoekx er zelf zo interessant aan vindt, maar staat nogal ver af van hoe het EM in de praktijk wordt gebruikt.

En wat is het EM dan eigenlijk als spiritueel model? Hoekx beschrijft dat je aan de negen punten waarden kunt hangen, maar met de verbindingslijnen in het schema kun je volgens haar vervolgens niets, want dat zou een hiërarchie veronderstellen tussen die waarden. De meeste lezers zullen in zo’n spiritueel EM dan ook niet meer zien dan een lijstje woorden waarbij misschien gemediteerd kan worden, het plaatje van het Enneagram is compleet uit beeld verdwenen. Maar ja, zoals Hoekx eerder aangaf, het is voldoende als de gebruikers het zelf als model opvatten om het model als model te bestuderen …

Hoekx besteedt ook nog wat pagina’s aan wiskundig gefröbel met de getallen en vormen in het Enneagram. Het paadje dat gevormd wordt door de getallen 1-4-2-8-5-7 spreekt tot de verbeelding, je kunt het terugzien in de decimale ontwikkeling van de breuk 1/7 = 0,142857142857… Als je dit vermenigvuldigt met 1, 2, 3, 4, 5 of 6 blijf je dezelfde getallenreeks tegenkomen. En dan komt een zinnetje waarbij ik zowat van de bank viel toen ik het las: “Furthermore these numbers are listed in the constant pi (π=3.142857).” Au.
Een pagina eerder poneert ze “The property of the recurring fracture occurs only in the decimal number system” wat onbegrijpelijk is (recurring fracture is geen wiskundige maar een medische term). Als er bedoeld is dat repeterende breuken alleen in het decimale systeem voorkomen is het onwaar. Voorts dateert ze de ontdekking van het decimale systeem in de 15de eeuw, waarmee ze er ongeveer een millenium naast zit. En de directe voorloper van de schrijfwijze met decimalen achter de komma zoals wij die nu gebruiken, is eind zestiende eeuw bedacht door Simon Stevin. Au, Au. Een pagina verderop blijkt ze ook al niet te weten dat het idee van een magisch vierkant is dat je het moet vullen met allemaal verschillende getallen. Driewerf au.

Nog even kort over die interviews die Hoekx afnam en analyseerde. Ze gebruikte daarvoor de Grounded Theory Approach, die als ik het goed begrijp neerkomt op het gaandeweg identificeren van begrippen en categorieën in de beschikbare kwalitatieve gegevens (zoals deze interviews) net zo lang tot je niets nieuws meer tegenkomt: er treedt saturatie op. Vervolgens kun je dan de onderlinge relaties van die gevonden begrippen verder analyseren. [*]
Wat Hoekx opviel was dat die saturatie niet op leek te treden bij de interviews met de coaches met minstens 15 jaar ervaring. Zij besloot dat het na 12 gesprekken wel welletjes was, een tamelijk willekeurig punt om haar onderzoek af te kappen. Je zou je natuurlijk ook af kunnen vragen of het uitblijven van die saturatie niet een heel sterk signaal is dat je werkelijk alles wat je maar wil aan het EM kunt ophangen (en dat dat in de praktijk ook gebeurt), en dat daarmee het model zo ‘open’ is dat het volstrekt nietszeggend is.

Promotieplechtigheid

De promotiecommissie bestaat zoals gebruikelijk aan de RU uit de (co)promotoren en nog minstens vijf personen, waaronder de leden van de manuscriptcommissie. In dit geval zit er ook niemand anders in. Alle leden van de promotiecommisie hebben dus als promotor of als lid van de manuscriptcommissie eigenlijk al hun fiat aan dit proefschrift gegeven. Er zijn blijkbaar ook geen andere experts op dit vakgebied aangezocht voor de oppositie en niemand heeft zich daar zelf voor aangemeld. De promotieplechtigheid belooft dus een gezellig onderonsje te worden. We zullen zien of er nog wat spannends gebeurt en daarover later berichten.

Twee personen uit de manuscriptcommissie komen overigens ook voor in een ander artikel dat Rob Nanninga in Skepter schreef: Spiritualiteit voor managers – Go with the flow naar Nyenrode (Skepter 20.2, 2007), het gaat om de inmiddels 93 jarige ‘honorair’ hoogleraar Paul de Chavigny de Blot en Sharda Nandram, associate professor Entrepeneurship and Spirituality, beiden aan Nyenrode Business University.
Verder hebben we dan nog prof. dr. Hans Doorewaard (hoogleraar emeritus Organisatieontwikkeling aan de RU), prof. dr. Herman van den Bosch (hoogleraar Management Education aan de Open Universiteit) en  prof. dr. Teun Hardjono (hoogleraar emeritus Quality Management aan de Erasmus Universiteit). De betrokkenheid van Hardjono is enigszins opmerkelijk te noemen. Hij kwam een paar jaar terug in opspraak toen een promovendus van hem op plagiaat werd betrapt. Een van de maatregelen die de Erasmus Universiteit Hardjono oplegde, was dat hij aan die instelling geen promovendi meer mocht begeleiden en  ook geen lid meer mocht zijn van een promotiecommissie. Aan de Radboud Universiteit mag hij zo’n rol blijkbaar nog wel vervullen.

Zie het verslag van de promotie:

Enneagrampromotie

 


* Voor bepaalde onderzoeken kan ik me nog wel indenken dat je het sociaal-constructivisme een zinnige aanpak is (al dan niet met die Grounded Theory Approach), maar om daarmee zaken te onderzoeken waarover in de wetenschap toch aardige consensus bestaat dat het om pseudowetenschap gaat, lijkt me erg onverstandig. Maarten Boudry en Filip Buekens lieten al eens zien dat als je sociaal-constructivisme gewoon toepast, je daarmee uitstekend bewijs kunt leveren voor de Freudiaanse psychoanalyse, wat wel aantoont dat er dan iets goed misgaat 😉