Wat je niet ziet, bestaat niet... 1

Ga daar maar eens een lampje vervangen…

Ik zou beter moeten weten. Ik ken mezelf onderhand toch wel een beetje, zou je zeggen.

Het is eigenlijk gewoon geen goed idee om in je eentje horrorfilms te gaan kijken als je net bent verhuisd naar een huis met een donkere gang en een kelder die niet zou misstaan in, naja, in een horrorfilm. Ook niet op een luie zaterdagavond als je werkelijk niets beters kunt verzinnen. En al helemaal niet zo’n film waarin je eigenlijk niets ziet en je net iets te rijke fantasie vervolgens de rest doet. Dus ja, als ik dan besluit om The Grudge te gaan kijken in mijn eentje dan weet ik eigenlijk best van tevoren wat er kan gebeuren.

Ik vind horrorfilms geweldig. Ik kan er letterlijk uren naar kijken. Vooral naar die met zombies en andere monsters en heel veel special effects. Die zijn namelijk overzichtelijk en volgens doorgaans dezelfde conventies:

1: Voor bloed en ingewanden geldt nooit “less is more”.

2. Er is altijd minimaal één idioot die de donkere kelder/het spookhuis/het bos inloopt of de mysterieuze vloek drie keer achterstevoren opzegt. Doorgaans leren de volgende drie idioten niet van dat voorbeeld.

3. Er zijn meestal wel een held en heldin en als die er allebei zijn, dan krijgen ze elkaar, ook als ze het zombieprobleem niet hebben opgelost. In dat geval maken ze er samen het beste van in een post-apocalyptische wereld en leven ze nog lang en eigenaardig.

Dat soort films vind ik zelden eng. De meeste ervan nemen zichzelf ook niet te serieus en zijn doorspekt met de nodige humor. Er gebeuren de meest gruwelijke dingen in zo’n film en toch ziet het er niet realistisch uit. De ledematen vliegen links en rechts door de lucht en geamuseerd graai ik nog eens naar de tortillachips. Rode salsa erbij? Ja, lekker. Doe ook nog maar een cola.

Maar die films waar je de hele tijd bijna niets ziet, daar kan ik eigenlijk beter niet naar kijken. Ja, er zijn ook idioten die de kelder (of in het geval van The Grudge de zolder, die ik gelukkig níet heb) in lopen, maar je ziet eigenlijk niet wat er met ze gebeurt. Één flits van een wit gezicht of een vage schim en mensen zijn verdwenen. Niks bloed, ingewanden of grommende monsters. Als je er over nadenkt klinkt het eigenlijk heel saai. Toch heb ik de laatste paar dagen mijn stroomrekening leuk omhooggejaagd, want waar ik normaal rustig door mijn donkere gang met zombiekelder naar de wc wandel ‘s nachts gaat nu het licht aan. Gewoon voor de zekerheid. En douchen is wat ingewikkelder, want dat doe ik het liefst met wijdopen ogen tot het enge weer uit mijn systeem is.

Een enge film waar niets in beeld gebeurt is enger omdat je fantasie het werk doet. Je fantasie put uit je eigen angsten en ideeën waardoor dat effectiever is dan wat een filmmaker zelf kan verzinnen. En blijkbaar zijn we er heel goed in om van het onbekende iets engs te maken, gezien alle vampieren, draken, weerwolven en ander mythisch gespuis dat er in de loop van de eeuwen allemaal heeft rondgewaard in ons bewustzijn. Geloven in monsters lijkt best diep geworteld te zijn in ons brein.

Op zich is dat waarschijnlijk ook geen slecht plan. Ik ben geen evolutiebioloog, maar ik kan me best voorstellen dat mensen die bij onbekende geluiden vlak buiten de grot bang waren voor monsters betere overlevingskansen hadden boven de mensen die dachten dat er buiten iemand met koekjes klaarstond. Als beschermingsmechanisme lijkt een beetje angst voor het onbekende me dan ook erg goed werken.

Toch kan het ook behoorlijk verkeerd uitpakken. Als je alles wat je niet kunt verklaren gaat interpreteren als een dreiging door iets of iemand die kwaad in de zin heeft wordt het leven eng. Oogst mislukt? Werk van een heks. Kind ziek? Werk van een heks. Koe dood? Werk van een heks. Er zijn tijden geweest dat het er niet veel hoefde te gebeuren voor mensen gingen denken aan hekserij, duivelbezetting of zwarte magie, hetgeen meestal niet goed afliep voor degene die beschuldigd werd. Maar goed dat er uiteindelijk toch mensen bleken te zijn die niet bang waren voor het onbekende, maar juist op zoek gingen naar een verklaring zonder monsters. Waardoor we uiteindelijk uitkwamen op gewasbescherming, vaccinatie en medicijnen die de problemen toch een stuk beter oplosten dan de pijnbank en de brandstapel.

Inmiddels weten we beter in dit tijdperk met wetenschap en rationaliteit. Tenminste, dat zou je denken. Toch zijn er nog genoeg mensen die omineus krakende deuren aanzien voor spoken, psychoses voor duivels en dikke pech voor zwarte magie. En omdat brandstapels niet meer mogen loopt dat meestal wel goed af, maar helaas toch niet altijdzoals maar weer eens bleek bij deze mislukte duivelsuitdrijving.

Een beetje angst voor het onbekende is goed. Het beschermt je voor gevaar en laat je gewaar worden van mogelijke risico’s. Een beetje skepsis is echter net zo belangrijk. Het getik op je ruit is een tak, de rare schaduw op de muur is de kapstok en er zijn meer dan genoeg mensen die op vrijdag de dertiende onder een ladder doorlopen en nog lang en gelukkig leven. Wat je niet ziet bestaat niet en ik heb nog nooit iets gezien dat ik niet kon verklaren zonder het bovennatuurlijke. Van monsters en spoken op zolder is nog nooit iemand blijer geworden.

Natuurlijk moet ik na dit hele betoog wel mijn eigen verhaal gaan waarmaken. Dus: vanaf nu loop ik weer onverstoord en skeptisch door mijn donkere gang langs de zombiekelder naar de keuken. En elke keer is het weer een beetje minder eng.