Nogal wat mensen hebben het idee hebben dat ze gevoelig zijn voor elektromagnetische velden en daar zelfs lichamelijke klachten van krijgen. Een flink deel van deze elektrogevoeligen geeft aan dat ze vrijwel direct doorhebben of ze blootgesteld worden aan straling van Wi-Fi, mobiele telefoons, DECT telefoons of andere bronnen, en wanneer niet. In testsituaties waarbij de proefpersonen niet konden zien of horen aan apparaten of ze aan of uit stonden, was deze gevoeligheid evenwel nooit aantoonbaar. Recent Nederlands onderzoek laat zien dat elektrogevoeligen ook in een vertrouwde omgeving niet beter dan de kansverwachting scoren.

Er was namelijk wel kritiek op de eerdere onderzoeken die in laboratoriumomgeving plaatsvonden. Zo’n setting zou niet representatief zijn voor de eigen vertrouwde omgeving waarin de elektrogevoelige wel zou kunnen voelen hoe het staat met de elektromagnetische velden waarvoor hij of zij meent gevoelig te zijn.

Testapparaat voor EMV

Voor het nieuwe onderzoek  – Van Moorselaar et al. (2017), Effects of personalised exposure on self-rated electromagnetic hypersensitivity and sensibility – A double-blind randomised controlled trialEnvironment International. – was eerder al een mobiel apparaat ontwikkeld waarmee allerlei soorten elektromagnetisch velden opgewekt kunnen worden en dat gebruikt kan worden voor een dubbelblinde test. Het apparaat is overigens nog best flink, zoals op de foto hiernaast te zien is.
Je kunt het zo instellen dat zowel de testpersoon als degene die het apparaat bedient niet kan zien tijdens de test of er een veld wordt gegenereerd of niet. Ook creëert het apparaat velden die goed lijken op de echte velden: niet alleen de ‘gladde’ draaggolf wordt nagebootst maar ook de ‘ruis’ die op deze draaggolf wordt ‘geplakt’ waarin de feitelijke informatie verstopt zit. Ook zogenaamde dirty electricty kan het apparaat produceren.
Zie Huss et al (2016), Novel Exposure Units for at-Home Personalized Testing of Electromagnetic SensibilityBioelectromagnetics voor de details.

Onderzoek Van Moorselaar

Voor het onderzoek met elektrogevoeligen werden in eerste instantie 67 personen benaderd, waarvan er 42 daadwerkelijk meededen. De deelnemers mochten zelf bepalen met wat voor soort straling de test zou worden uitgevoerd. Het merendeel koos voor radiofrequente velden zoals die van een GSM-zender, UMTS-zender, WiFi en DECT-telefoon. Een paar kozen voor laagfrequente velden, zoals die ontstaan bij een hoogspanningslijn of LED-lamp.
Eerst vond er een open test plaats waarbij de proefpersonen wisten of het apparaat aan stond of niet. Als ze dan aangaven dat ze het verschil konden voelen, volgde een dubbelblinde testreeks. Twee deelnemers vielen hierdoor af, zij voelden bij deze open test geen verschil. De 40 overblijvers werden tien keer gedurende 10 minuten al of niet bestraald (met telkens 5 minuten pauze daartussen) en moesten dan aangeven in welke stand ze dachten dat het apparaat stond. Er werd hen verteld dat er minstens één keer echt gestraald zou worden, maar niet hoe vaak in totaal (dat was tussen de 3 en 7 keer).

Als een proefpersoon in minder dan 8 van de 10 tests de juiste stand aan had gegeven hield de test op. In het onderzoek scoorde twee personen in eerste instantie 8 uit 10 en met hen zou volgens het protocol later een tweede sessie van 10 plaatsvinden. Maar één van hen wilde meedoen aan die tweede sessie en scoorde toen 6 uit 10, in totaal 14 uit 20 dus. Niemand in het onderzoek liet zo zien over de uitzonderlijke gevoeligheid voor elektromagnetische velden te beschikken waarvan ze dachten dat ze die hadden. Ze ‘gokten’ niet beter dan je op basis van toeval mag verwachten.

Het onderzoek was zo opgezet dat één groep meteen na de start werd getest en een andere groep pas twee maanden nadat de eerste groep was geweest. Zo probeerden de onderzoekers te achterhalen of er een effect zou zijn van het deelnemen aan de test (maar een echte controlegroep was er niet). Als iemand geconfronteerd zou worden met het gegeven dat hij onder geblindeerde omstandigheden niet in staat blijkt de straling te voelen, zou je kunnen denken dat hij/zij die overtuiging laat varen en misschien ook minder last zou krijgen van de eventueel ervaren klachten. Nu namen de klachten in de loop van het onderzoek wel iets af en ook de zekerheid over de veronderstelde elektrogevoeligheid, maar of dat aan de deelname aan de test ligt, kun je niet zeggen. Eigenlijk bleek er alleen direct na de test namelijk enige verschil te zien tussen de groepen, bij de feedback na twee en vier maanden bleken beide groepen niet verschillend. De conclusie dat dit soort testen voor een subgroep van elektrogevoeligen van nut kan zijn, lijkt daarom wat aan de optimistische kant.

Kritiek StopUMTS

Bij het Kennisplatform Elektromagnetische velden is ook een bespreking te vinden (daar hebben ze vreemd genoeg over 48 deelnemers) en natuurlijk ook bij StopUMTS. Deze laatste organisatie, die zich opwerpt als belangenbehartiger van mensen die denken last te hebben van elektromagnetische velden, vindt het onderzoek bij monde van voorzitter Leendert Vriens maar niets.
Als belangrijkste reden voert Vriens aan dat het hier alleen maar gaat om elektrogevoeligen die stellen al binnen een paar minuten te kunnen voelen of er sprake is van een elektromagnetisch veld of niet, terwijl dat maar een klein gedeelte van de mensen zou betreffen die claimen last te hebben van blootstelling aan straling. In het onderzoek van Van Moorselaar wordt echter onderzoek aangehaald waaruit blijkt dat deze groep 56 procent beslaat van de totale groep mensen die beweert elektrogevoelig te zijn. Vriens houdt het liever bij zijn eigen ervaring: “We kennen heel veel EHS-ers, maar geen enkele heeft ons ooit een dergelijk knipperlicht reactie gerapporteerd. Mede gezien onze waarschuwingen op StopUMTS en per mail heeft voor zover ons bekend geen van hen aan het onderzoek deelgenomen.” Hij maakt zich er ook druk over dat er niet aan onderzoeken wordt gerefereerd, die hij als toonaangevend beschouwt. Het betreft dan echter studies die om diverse redenen niet echt serieus genomen kunnen worden (een aantal zijn wel eens in de commentaren op Kloptdatwel langs gekomen).

Ook vindt Vriens het aantal deelnemers (42) te laag om harde conclusies te trekken. Dat is misschien wel zo voor de stelling dat deelname aan zo’n test mensen kan helpen om van de vervelende gevolgen van de overtuiging dat ze elektrogevoelig zijn af te komen, maar niet voor de dubbelblinde test op elektrogevoeligheid zelf. Het is duidelijk dat geen van de deelnemers in de test de gevoeligheid heeft laten zien waarover ze zelf dachten te beschikken. Volgens mij is het niet zo dat er mensen tussen zaten die zeiden dat ze maar een beetje elektrogevoelig waren, dus dat ze bij veelvuldig testen iets hoger dan de kansverwachting zouden scoren (dat zou op zich ook wel opmerkelijk zou zijn, enigszins vergelijkbaar met de Ganzfeldexperimenten in de parapsychologie).
Vriens heeft nog wel meer te klagen over het onderzoek, zo zou hij er zelf een flink aantal deelnemers uit hebben gelaten vanwege een verkeerde motivatie. Maar dat heeft er mijns inziens allemaal mee te maken dat hij sowieso liever een heel ander soort onderzoek had willen zien. Misschien vreest hij dat dit onderzoek gebruikt zal worden om iedereen die claimt last te hebben van elektromagnetische velden weg te zetten als fantasten en dat de gerapporteerde klachten allemaal te wijten zijn aan nocebo-effecten. Dat er schadelijke effecten optreden als het gevolg van blootstelling aan elektromagnetische velden die beneden de vastgestelde normen blijven, blijft echter uiterst onwaarschijnlijk. Wat het onderzoek van Van Moorselaar wel laat zien is dat je mensen die sterk het idee hebben dat dat in hun geval anders ligt, helaas maar heel lastig op andere gedachten kunt brengen.