Zo’n halve eeuw geleden werd de gedachte als zoude het economisch bestel op grote schaal gesaneerd moeten worden vaak geïllustreerd aan de hand van de gloeilamp. Deze zou namelijk expres zó gemaakt worden dat ie snel doorbrandt en vervangen moet worden. Het was gemakkelijk dit af te doen als een broodje-aapverhaal. Een vrije markt zou aan dergelijke afzetterij tenslotte snel een eind maken. Maar het blijkt waar te zijn … er was een heus kartel om branduren en concurrentie te beperken.
Reviaanse Miskleun
Wie in de 70er jaren van de vorige eeuw goed ingelicht en maatschappelijk geëngageerd wilde overkomen, die bracht in de kroeg of op een borrel altijd even en passant naar voren dat het heel eenvoudig was om een gloeilamp te produceren die langer brandt dan de gangbare gloeilamp. Echter, boosaardige en op winst beluste multinationals maken gloeilampen doelbewust zo dat ze snel doorbranden. Op die manier worden verkoop en inkomsten op peil gehouden. Het gezelschap knikte dan doorgaans instemmend. Vanzelfsprekender kon het toch eigenlijk niet.
Tussen al die bijval was ik geneigd tot skepsis. Als het echt zo is, waarom gaan progressieve TU studenten in Delft en Eindhoven die multinationals dan niet ondermijnen en de werkende klasse verheffen d.m.v. grootschalige fabricatie van eeuwigbrandende gloeilampen? Dat moet toch een fluitje van een cent zijn! In 1978 verscheen “Uren met Henk Broekhuis” – een boek waarin veertig NRC-columns van Karel van het Reve gebundeld waren. In elk van die stukjes ging het erom een algemeen geaccepteerde gemeenplaats onderuit te halen. Ik was ermee in m’n nopjes want ’s Neerlands meest vermaarde essayist formuleerde in één van z’n stukjes precies ook mijn gedachte over ‘t gloeilampenkartel en de studentikoze verwoesting ervan.
Echter, Karel en ondergetekende hadden ‘t bij het verkeerde eind. Er was een samenzwering van elektronicaconcerns die had vastgesteld dat een gloeilamp 1000 uren meegaat. Wie zich er niet aan hield, die betaalde boete. “Samenzwering” is eigenlijk te sterk uitgedrukt, want geheim was het niet.
Hoe een Gloeilamp Werkt
Wanneer materiaal erg heet wordt, dan gaat het gloeien, i.e. licht uitstralen. Een gasvlam en smeulende houtskool zijn voorbeelden uit het alledaagse leven. De meeste vaste materialen zijn niet bestand tegen de hoge temperaturen die hiervoor nodig zijn. De gloeidraad in een lamp is daarom gemaakt van wolfraam – een zwaar metaal met een hoog smeltpunt. De lucht in de glazen bol van de lamp bevat geen zuurstof en daarmee wordt ook oxidatie voorkomen.

Als er elektrische stroom door een draad vloeit dan is er wrijving, i.e. weerstand, en dit veroorzaakt hitte. Bij een dunnere draad is er minder ruimte voor de stroom en dus meer elektrische weerstand. De draad gloeit dan helderder. Bij eenzelfde stroom geeft een dikkere draad minder licht.
De gloeidraad verslijt in de loop der tijd. Er verdampt wolfraam en de gloeilamp bereikt het eind van z’n levensduur als de verzwakte draad bezwijkt onder z’n eigen gewicht.
De uiteindelijke draaddikte is een compromis. Een heel dunne draad geeft veel licht, maar wordt ook erg heet en zal snel slijten en breken. Een dikkere draad geeft minder lichtopbrengst, maar heeft een langere levensduur.
Het Phoebus Kartel
“Phoebus” is een Oudgrieks woord voor “helder” of “stralend.” Het was deze naam die gloeilampfabrikanten van over de gehele wereld aan hun kartel gaven. Het kartel werd opgericht in 1924 en Philips en General Electric waren er ook bij. Schroefdraadfittingen kregen toen hun nog altijd gangbare afmetingen. Maar het was niet alleen zinvolle regelgeving m.b.t. compatibiliteit. Er werden ook afspraken gemaakt over de verdeling en de controle van de handel. De levensduur van een gloeilamp zou universeel 1000 uur zijn. Het kartel runde een centraal laboratorium in Zwitserland waar gloeilampen van over de gehele wereld getest werden. Anton Philips zou n.a.v. een Phoebus rapport nog eens opgemerkt hebben: “Na de enorme inspanningen die we hebben geleverd om af te rekenen met het tijdperk van lampen met een lange levensduur, is het van het grootste belang dat we niet in hetzelfde moeras terugvallen door geen rekening te houden met voltages en lampen te leveren die een zeer lange levensduur hebben.”
De markt bleef stevig dichtgetimmerd totdat het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de handhaving van kartelafspraken onmogelijk maakte. Na de oorlog was het een aflopende zaak. Octrooien op gloeilamptechnologie waren verlopen en een rechtbank in de Verenigde Staten oordeelde in 1951 dat de 1000-uren overeenkomst illegaal was. Maar het was mosterd na de maaltijd aangezien ongeveer de helft van alle kunstmatige verlichting in de VS toen al met tl-buizen gebeurde. Tl-buizen hebben tienmaal de levensduur van een gloeilamp en geven pakweg vijfmaal zoveel licht bij hetzelfde elektriciteitsgebruik.

Het is kort door de bocht om te stellen dat het met het Phoebus kartel om een perfide complot gaat om de consument nodeloos op kosten te jagen. Zoals gezegd, een gloeilamp met een dikkere draad heeft bij eenzelfde stroomsterkte een langere levensduur. Maar je hebt twee van zulke gloeilampen nodig om de gewenste hoeveelheid licht op je bureau te krijgen, i.e. tweemaal de elektriciteitsconsumptie. Met andere woorden, je brengt je geld óf naar Philips óf naar N.V. Nuon. Echter, het zou Philips en z’n trawanten gesierd hebben, indien ze die keus aan de consument hadden gelaten.
Uitfasering
Anton Philips zag de bui al vroeg hangen en schreef op 3 september 1938 in een brief aan de directeur van General Electric het volgende over de ontwikkeling van tl-buizen: “We hebben al veel van die buizen die 3000 tot 4000 uur branden, met een omzetverlies van ongeveer 30%. Het zou dus kunnen dat we een deel van de gewone lampen met een levensduur van 1000 uur gaan vervangen door buizen die momenteel 3000 tot 4000 uur meegaan – met dat omzetverlies van 30% – maar die in de toekomst misschien wel 6000 of 8000 uur zullen branden. We zouden kunnen proberen buizen te produceren van een kwaliteit die niet zo uitzonderlijk hoog is, maar we weten allemaal dat wanneer er concurrentie ontstaat (aangezien de patenten niet erg sterk zijn) en onze concurrenten een lamp op de markt brengen met een extreem lange levensduur, wij hen zullen moeten volgen. Het zou kunnen blijken dat deze nieuwe uitvinding financieel gezien geen aantrekkelijk vooruitzicht is voor onze beide bedrijven.”
De spaarlamp kwam in de 80er jaren in de verkoop. Dit is een opgerolde of opgevouwen tl-buis met een fitting die in de houder voor een gloeilamp past. De gloeilamp werd hiermee overbodig en sinds 2013 mogen er in de EU geen gloeilampen meer geproduceerd of geïmporteerd worden.

Op dezelfde manier als waarop de tl-lamp superieur is aan de gloeilamp qua lichtopbrengst en levensduur, zo is ook de ledlamp superieur aan de tl-lamp. Voor sportvelden, wietteelt, straatverlichting en huis-tuin-en-keuken-gebruik wordt er nu op grote schaal overgegaan op de ledlamp. De tl-buis die eens het moderne alternatief voor de gloeilamp was, die is nu zelf hopeloos verouderd.
Met z’n ruwweg 20.000 branduren zou de ledlamp het ultieme angstvisioen van Anton Philips geweest zijn. Maar hij heeft het niet meer hoeven meemaken. Hij overleed in 1951.

Leave a Reply
You must be logged in to post a comment.