• Skip to primary navigation
  • Skip to main content
  • Skip to primary sidebar

Kloptdatwel?

  • Home
  • Onderwerpen
    • (Bij)Geloof
    • Columns
    • Complottheorieën
    • Factchecking
    • Gezondheid
    • Hoax
    • Humor
    • K-d-Weetjes
    • New Age
    • Paranormaal
    • Pseudowetenschap
    • Reclame Code Commissie
    • Skepticisme
    • Skeptics in the Pub
    • Skeptische TV
    • UFO
    • Wetenschap
    • Overig
  • Skeptisch Chatten
  • Werkstuk?
  • Contact
  • Over Kloptdatwel.nl
    • Activiteiten agenda
    • Colofon – (copyright info)
    • Gedragsregels van Kloptdatwel
    • Kloptdatwel in de media
    • Interessante Links
    • Over het Bol.com Partnerprogramma en andere affiliate programma’s.
    • Social media & Twitter
    • Nieuwsbrief
    • Privacybeleid
    • Skeptisch Chatten
      • Skeptisch Chatten (archief 1)
      • Skeptisch Chatten (archief 2)
      • Skeptisch Chatten (archief 3)
      • Skeptisch Chatten (archief 4)

Wetenschap

Bedenker van de Mente neurofeedback hoofdband voor autisme sjoemelde met wetenschappelijke titels

26 March 2019 by Pepijn van Erp 17 Comments

Kinderen met autisme of PDD-NOS zouden volgens het bedrijf Mente Autisme geholpen zijn met een hoofdband die werkt met neurofeedback: “Sensoren in de hoofdband meten de hersenactiviteiten van je kind. Met behulp van geluiden worden de hersengolven in een rustiger patroon gebracht.” Voor kinderen tot 12 jaar zou het dragen van de band gedurende 40 minuten per dag al na een paar weken duidelijke verbeteringen laten zien.

De band is ontwikkeld door de Maltees Adrian Attard Trevisan, die er prat op ging maar liefst twee keer gepromoveerd te zijn, eerst in het Verenigd Koninkrijk en later in Italië. The Sunday Times of Malta onthult nu echter dat daar maar weinig van klopt.

Bedenker van de Mente neurofeedback hoofdband voor autisme sjoemelde met wetenschappelijke titels 1

 

De Maltese krant schrijft dat Trevisan sinds hij in 2012 begon met de marketing van de Mente deed alsof hij gepromoveerd was in de neurowetenschappen aan het University College London. Daar was hij echter alleen maar ingeschreven als masterstudent. In 2015 promoveerde hij dan wel echt aan een Italiaanse universiteit, maar een medewerker van Trevisan beweert nu dat delen van het proefschrift overgeschreven zijn van onderzoek wat hij deed, plagiaat dus.

In Nederland is de hoofdband sinds enige tijd ook verkrijgbaar. Een paar maanden terug werd er nog aandacht aan besteed in het programma Editie NL. Maar werkt die hoofdband nu wel of niet? Op de website van de leverancier in Nederland wordt verwezen naar een aantal wetenschappelijke artikelen. Eigenlijk is maar eentje daarvan relevant, een onderzoek waarvan de resultaten werden gepubliceerd in de journal Frontiers Neurology.
Erg onder de indruk raakte ik niet na het lezen. Uiteindelijk bleven er na heel veel uitvallers 17 deelnemers in de groep over die een echt werkende hoofdband omkregen en evenveel in de controlegroep. Er wordt gesproken over significante resultaten, maar er zijn zoveel vergelijkingen gemaakt zonder te corrigeren voor meervoudig toetsen, dat dat ook niet echt verrassend is.

Volkomen terecht dat de woordvoerder van Nederlandse Vereniging voor Autisme tegenover Editie NL zich erg terughoudend opstelde. De band kost ook maar liefst 2000 euro. Je mag toch eigenlijk wel wat serieuzer onderzoek verwachten als een bedrijf zoveel geld voor een apparaat vraagt, waarvan de werking allerminst bewezen is. Sowieso is het maar de vraag of neurofeedback echt iets doet (dus niet alleen op grafiekjes van hersengolven), lees daarvoor het redelijk recente (2017) artikel van Niki Korteweg uit Skepter:

https://skepsis.nl/neurofeedback-weinig-bewijs/

Titelfoto: screenshot uitzending Editie NL 

Filed Under: Factchecking, Gezondheid, Wetenschap Tagged With: Adrian Attard Trevisan, hoofdband, Mente Autisme, neurofeedback

5 redenen waarom het zo moeilijk is om als een wetenschapper te denken

4 March 2019 by Emiel De Jonge 13 Comments

5 redenen waarom het zo moeilijk is om als een wetenschapper te denken 2
Christian Jarrett – de oorspronkelijke auteur – volgens zijn eigen LinkedIn profiel: Cognitive neuroscientist turned science writer. Editor and creator of the British Psychological Society’s Research Digest blog. Author of PERSONOLOGY, Using The Science of Personality Change To Your Advantage.

Denken als een wetenschapper is erg moeilijk, zelfs voor een wetenschapper. Eerdere overtuigingen moeten aan de kant worden gezet, de kwaliteit en betekenis van het bewijs geëvalueerd en afgewogen worden tegenover de context van eerdere bevindingen. Maar je eigen overtuigingen opzij leggen en objectief blijven, zit niet in de menselijke aard.

Er is een overweldigende hoeveelheid wetenschappelijk bewijs dat de theorie van evolutie ondersteunt en toch zegt één derde van de Amerikanen dat de theorie volkomen verkeerd is. Net zo is er overweldigende wetenschappelijke overeenstemming dat menselijke activiteit bijdraagt aan klimaatverandering en toch twijfelt één derde van de amerikanen.

In Engeland zijn ze er net zo aan toe.  In een recente survey zei 96 procent van de leraren dat ze geloofden dat studenten beter leren wanneer ze les krijgen volgens hun persoonlijke leerstijl, en dat terwijl er nauwelijks wetenschappelijke bewijs is voor dat idee. In een nieuw deel van de  serie Psychology of Learning and Motivation, bekijken Priti Shah en haar collega’s van de universiteit van Michigan in detail naar de redenen waarom mensen zo slecht zijn in wetenschappelijk denken. In dit artikel beschrijf ik vijf belangrijke inzichten.

We worden makkelijk beïnvloed door anekdotes

Wanneer we alledaagse beslissingen nemen, zoals het beginnen van een nieuwe behandeling of het inschrijven voor een bepaald vak op de universiteit, zullen de meeste van ons krachtiger beïnvloed worden door de persoonlijk getuigenis van één persoon dan door een onpersoonlijke beoordeling of uitslagen die gemiddeld zijn over veel mensen. Dit is de kracht van een anekdote die onze kritische vermogens dooft. In een studie die vorig jaar uit is gekomen, vroegen Fernando Rodriguez en zijn collega’s tientallen studenten om wetenschappelijke nieuwsberichten te beoordelen die onteechte conclusies trokken uit zwak bewijs. Sommige van die berichten begonnen met een anekdote die de foutieve conclusies ondersteunde, andere verslagen bevatte geen anekdotes en functioneerden als controle. Ongeacht hun universitaire niveau of kennis van wetenschappelijke concepten, waren de studenten minder goed in het kritisch evalueren van de berichten als ze met een anekdote begonnen. “Anekdotische verhalen kunnen ons vermogen om wetenschappelijk onderbouwde uitspraken te doen in reële situaties ondermijnen”, zeiden de onderzoekers. Natuurlijk wordt gezondheids- en wetenschapsnieuws in de media gebracht door middel van anekdotes, de kans dat de nieuwsconsument alle beweringen in het bericht voor waar aanneemt, wordt zo vergroot.

We zijn te zelfverzekerd

Wanneer we geconfronteerd worden met een wetenschappelijke bewering, vinden veel mensen het moeilijk om wetenschappelijk te denken over de desbetreffende bewering, omdat we ons begrip van de wetenschap overschatten. Een studie van 2003 vroeg honderden universiteitsstudenten om verschillende wetenschappelijke nieuwsberichten te lezen, te interpreteren en hun begrip te beoordelen. De studenten maakten veel interpretatiefouten,  zoals het verwarren van correlatie en oorzakelijk verband zelfs wanneer ze dachten dat ze de materie begrepen. Dit doet sterk denken aan een enquête uit de jaren 80 onder duizenden Britten en Amerikanen: bijna 60 procent zei dat ze matig of goed geïnformeerd waren over nieuwe wetenschappelijke bevindingen en toch kon een veel lager percentage, eenvoudige vragen over elementaire wetenschap beantwoorden. Een deel van het probleem lijkt er in te schuilen dat we onze begrip van wetenschappelijke tekst baseren op hoe goed we de gebruikte taal snappen. Dit betekent dat populaire wetenschappelijke verhalen geschreven in lekentaal bij kunnen dragen aan een vals vertrouwen. Deze “tekstvaardigheidsbias” kan je ook terugzien bij wetenschapslezingen: een recente studie laat zien dat studenten de kennis die ze hadden opgedaan bij een lezing, overschatten als die gegeven was door een boeiende spreker.

We zijn bevooroordeeld door onze eerdere overtuigingen.

Dit obstakel voor een wetenschappelijke objectieve blik is aangetoond in een nu klassieke studie uit de jaren ’70 waarbin deelnemers gevraagd werde om wetenschappelijke onderzoek te beoordelen dat in strijd was met hun eerdere overtuiging, of die juist ondersteunde. Een van die studies liet bijvoorbeeld zien dat het aantal moorden lager was in Amerkaanse staten waar de doodstraf nog werd uitgevoerd. Deelnemers lieten een duidelijke bias in hun beoordeling zien. Als ze voor de doodstraf waren, dan oordeelden ze positiever over de studie over doodstraf. Als ze echter tegen de doodstraf waren, dan zagen ze er sneller fouten in.
Wetenschappelijke vaardigheden bieden weinig bescherming tegen deze cognitieve voorkeur, ze kunnen deze voorkeur zelfs versterken. Een studie uit 2013 vroeg deelnemers om een onderzoeksartikel te beoordelen over wapenwetgeving. De deelnemers die cijfermatig beter onderlegd waren, waren nog duidelijker bevooroordeeld: als de bevindingen van de studie hun overtuiging ondersteunden, was hun oordeel positief, maar als de bevindingen in strijd waren met hun overtuiging, gebruikten ze hun vaardigheden om de bevindingen neer te sabelen. Dit verschijnsel wordt “identiteitsbeschermende cognitie” genoemd wordt.

We worden verleid door grafieken, formules en inhoudsloze neurowetenschap.

De gemiddelde kranten- of tijdschriftlezer raakt makkelijk verblind met de oppervlakkige rekwisieten van de wetenschap, zoals formules, grafieken en vaktaal. Neem de volgende studie van Ibrahim et al,: onderzoekers vroegen deelnemers gevraagd een nieuwsbericht te bekijken over een correlatiestudie over genetisch gemodificeerde voedsel, dat ofwel in lijn was met het bestaande bewijs dat laat zien dat het veilig is, ofwel het daar niet mee in overeenstemming was en suggereerde dat het schadelijk zou kunnen zijn. Het bericht was wel of niet vergezeld van een spreidingsdiagram. Als het bericht dat niet overeenkwam met het onderzoek van het verleden zo’n grafische weergave had van het correlatieonderzoek, waren de deelnemers eerder geneigd om het onderzoek te interpreteren als bewijs voor het idee dat “genetisch gemodificeerde voedsel schadelijk zijn”, dan wanneer de deelnemers hetzelfde bericht hadden gelezen zonder grafiek. “Dit is zorgelijk”, schreef Shah et al., “want het demonstreert hoe makkelijk mensen overtuigd kunnen worden door nieuwe data, ongeacht de wetenschappelijke merites van de resultaten.” Soortgelijk onderzoek naar de kritische vaardigheden van lezers heeft aangetoond dat zij op een soort gelijke manier als verblind worden door ongegronde neurowetenschappelijke jargon en zinloze formules.

Alleen slim zijn is niet genoeg.

Zelfs ervaren onderzoekers leiden aan de menselijke tekortkomingen die wetenschappelijk denken ondermijnen. Hun kritische vermogens worden besmet door hun doelstelling, door hun uiteindelijke motivatie voor het doen van hun experimenten. Dit is waarom de open science revolutie die momenteel gaande is in psychologie zo belangrijk is: wanneer onderzoekers hun methodes en hypotheses transparant maken, en ze hun studies  vooraf registreren, dat is de kans kleiner dat ze afgeleid, of zelfs bedorven worden door confirmatie bias (het uitkiezen van bewijs dat past bij hun bestaande overtuiging).

Kijk bijvoorbeeld naar systematische reviews in de psychotherapie: een recente analyse laat zien dat de conclusies van veel onderzoek zodanig verdraaid wordt dat de conclusie de voorkeur van de onderzoekers ondersteunt. In andere gevallen liet het hele bouwerk van de wetenschapspublicatie, van journals tot wetenschapsjournalisten, hun kritische vaardigheden vallen, alleen maar omdat men het eens wat met de boodschap die opduikt uit een onderzoek.

In hun boek, laten Shah en haar collega’s zien dat ruwe cognitieve vaardigheid (IQ) geen goede voorspeller voor iemands vaardigheid om als een wetenschapper te denken. Belangrijker is de mentale attidude, iemands “behoefte aan kennis” en zijn vaardigheid of motivatie om hun buikgevoel te negeren en diep na te denken. Een positieve noot is dat deze talenten ogenschijnlijk meer kneedbaar zijn, en dus trainbaar, dan intelligentie op zich. Maar er is nog heel wat stevig bewijs voor nodig om dat idee te testen.

Bovenstaande is uit het Engels vertaald met goedkeuring van de auteur:

Christian Jarrett – 5 Reasons It’s So Hard To Think Like A Scientist.

Filed Under: Wetenschap

Kans op toeval is onzin

10 October 2017 by Jan Willem Nienhuys 17 Comments

Het is lastig om wetenschappelijke publicaties te beoordelen. Vaak komt er ingewikkelde statistiek bij kijken. Maar er is een eenvoudig middel waarmee je althans soms kunt nagaan dat het om onzin gaat. Dat is namelijk als de auteur het heeft over de ‘kans op toeval’. Wie die woorden gebruikt heeft het niet begrepen.

Met even googelen vind je bijvoorbeeld een uitleg over het begrip significantie met de volgende zin “Vinden we geen significant verschil (dus een kans groter dan 5% dat het toeval is)…” . Dan hoef je niet meer verder te lezen. In het Engels is het niet moeilijk om zinnen tegen te komen als “We see some differences, but want to know if those differences are likely due to chance” en “it [het statistische pakket] will show you ‘.05,’ meaning that the finding has a five percent (.05) chance of not being true.”

Kans op toeval is onzin 3

Loterijen

Er is vrijwel geen enkele loterij waar de uitslag ‘het is toeval’ of ‘het is geen toeval’ luidt. Wat er wel gebeurt is dat onderzoekers een of ander resultaat vinden, en zich dan afvragen: ‘Stel dat het proces dat tot dit resultaat geleid heeft volledig door toeval bepaald wordt, en er dus helemaal geen speciaal effect is, wat voor kans zou er dan geweest om dit resultaat te krijgen?’ In dat geval heb je een duidelijk kansmodel (‘er is niks aan de hand’) en dan kun je aan de hand van het model de kans uitrekenen. Meestal gaat het dan niet om ‘dit resultaat’ maar om ‘dit of een extremer resultaat’. Als die kans slechts 1 op 20 of nog kleiner is, is het gebruik om te denken dat er misschien toch iets aan de hand is, en dat noemen we dan significant, wat dus jargon is voor: het heeft heel misschien iets te betekenen. Die 1 op 20 is dus niet de kans dat het effect puur een toevalseffect is. Het is de berekende kans om een dergelijke uitkomst te krijgen als het wel degelijk toeval is. (De echte kans op de gevonden uitkomst is natuurlijk gewoon 1, want het is gebeurd.)

Als je aan een loterij meedoet met tienduizend loten en één prijs, dan kan de winnaar –  en iedereen anders trouwens ook – achteraf uitrekenen dat de kans dat die ene persoon de prijs zou winnen slechts één op tienduizend was. Er is niettemin geen enkele reden om dan te denken dat er iets anders dan toeval een rol heeft gespeeld, en al helemaal niet dat de kans dat de winnaar níét door een hogere macht begunstigd is slechts 0,0001 is. De winnaar kan dat gevoel natuurlijk wel hebben, speciaal als hij de prijs goed kan gebruiken, maar het blijft onzin.

Is er echt iets aan de hand bij een significant resultaat? Laten we uitgaan van een situatie die helaas helemaal niet denkbeeldig is. Er zijn 1000 onderzoekers die de meest krankjorume ideeën hebben en experimenten doen om te kijken of die ideeën ook kloppen. Slechts één onderzoeker heeft het geluk dat het idee ook ergens op slaat. Die zijn proef wijst dat dan ook uit. In de praktijk is dat helemaal niet zo zeker en ook als de proef goed is ingericht heeft deze geluksvogel geen 100% kans dat zijn proef slaagt, maar doorgaans slechts 80%. Maar dat negeren we even. Als alle onderzoekers akelig goed hun best doen om zo eerlijk mogelijk hun rare idee te testen, zullen er toch nog altijd circa 50 een significant resultaat vinden. In deze ideale situatie is nog steeds ongeveer 98% van de significante resultaten gewoon onzin.

Visexpedities

In de praktijk is het veel erger. De ideeën van de onderzoekers zijn niet zozeer krankjorum als wel heel erg wazig. Ze weten niet precies waarnaar ze op zoek zijn. Ze willen weten of sommige soorten voedsel een extra gunstig of extra nadelig effect op de gezondheid hebben. Dan vragen ze proefpersonen de oren van het hoofd over wat die zoal eten, en ze gaan voor tientallen gezondheids- of ziekte-effecten na hoe het verloopt met de betrokkenen. Of nog erger: ze gaan bepaalde zieken vragen wat die de afgelopen jaren gegeten en gedronken hebben. Of ze willen weten of mensen die in bepaalde maanden geboren zijn een bepaalde affiniteit met mensen die in dezelfde of andere maanden geboren zijn. In dat geval kun je dus een tabel maken van echtscheidingspercentage voor elk der 78 soorten echtparen (de ene partner in januari, de andere in januari, februari, maart etc.) en dan kijken of er soorten zijn die eruit springen. Bij sommige onderzoeken kun je op allerlei manieren subgroepen vormen, allemaal natuurlijk als je voorafgaand aan je onderzoek eigenlijk helemaal niet wist waar je naar op zoek bent. Een andere mogelijkheid is dat je verschillende manieren van statistiek bedrijven probeert.

Kans op toeval is onzin 4
Visexpeditie (bron)

Het effect van deze visexpedities in data is dat misschien wel de helft van de onderzoekers (ik ben voorzichtig) een ‘significant’ resultaat vindt dat wel ergens gepubliceerd kan worden. Dan hebben we dus 500 ‘significante’ resultaten, waarvan er maar één ook echt iets voorstelt, dus 99,8% van de significante resultaten is onzin. Voor dit voorbeeld maakt het helemaal niet uit of de onderzoekers allemaal de data zolang martelen totdat er een ‘resultaat’ komt of dat maar de helft daarmee succes boekt. Er staan zulke grote beloningen klaar voor significante resultaten en de straf voor het publiceren van iets dat later onzin blijkt, is zo gering dat we tegenwoordig de situatie hebben dat in allerlei wat zachtere wetenschappen vrijwel alle resultaten onzin zijn, zuiver omdat de onderzoekers allemaal hun lessen statistiek vergeten zijn en denken dat ‘significant’  inhoudt dat er slechts een klein kansje (1 op 20) is dat ze zich vergissen. Dit wordt verergerd doordat al het rekenwerk door de computer gedaan wordt en je als onderzoeker helemaal niet hoeft te snappen wat die computer doet.
Wat je op zijn best kunt zeggen, is dat je waarschijnlijk tamelijk kleine a priori kans met twintig is vermenigvuldigd, en alleen als je niet achteraf aan het knutselen bent geslagen met de gegevens.

Onderzoekers die medicijnen ontwikkelen hebben deels met hetzelfde te maken. Die proberen ook vele duizenden substanties uit. Bij opeenvolgende proeven in reageerbuizen, met proefdieren en met gezonde vrijwilligers, proberen ze zich een beeld te vormen van de activiteit van hun spul. In elk stadium valt er veel af. Pas op het laatst, dus als ze al in het bezit zijn van veel kennis, worden de kostbare proeven gedaan met echte zieken. Maar ook dan gaat de geschatte kans dat het spul werkzaam is op basis van wat al bekend is omhoog met een bescheiden factor, tenminste als de proef gunstig uitpakt. (Je moet eigenlijk met odds rekenen, maar bij deze uitleg met hele grove getallen is dat onbelangrijk.)

Onderzoekers die daarentegen homeopathie onderzoeken, verdoen hun tijd. De kans dat twee eeuwen natuurkundig, chemisch, farmacologisch en medisch onderzoek er helemaal naast zit, is praktisch nul. Een statistisch significante uitslag zal die kans met twintig vermenigvuldigen, en dat is nog steeds praktisch nul. Mocht de uitkomst heel erg significant zijn, dan moeten we de kans meewegen dat er ergens een of andere andere fout is gemaakt, gebrekkige blindering bijvoorbeeld. Een berucht Nederlands onderzoek naar homeopathie bij kalverdiarree kwam effectief op p=0,0000001, en ik trof ooit een obscuur Mexicaans artikel aan over homeopathie bij astma met p=0,00000000001.
De kans dat er een methodologische fout is gemaakt is, is dan aanzienlijk, althans oneindig veel malen groter dan de kans dat twee eeuwen wetenschap de prullenbak in moet. De homeopaten zien dat anders, die beweren dat hun rituele bereidingswijzen en onzinnige diagnostiek allerlei spirituele genezende krachten losmaken. Die krachten blijken zich echter niet aan de statistiek te willen houden want bij goed opgezette proeven komt er nooit wat van terecht.

Kans op toeval is onzin 5

Sir Edmund

De reden voor mij om dit allemaal nog eens te vertellen is dat de zaterdagbijlage van de Volkskrant, Sir Edmund, op 30 september 2017 een omvangrijk stuk van Martijn van Calmthout afdrukte over de ontevredenheid van wetenschappers met de zogeheten p-waarde. De drempel zou misschien van 0,05 naar 0,005 moeten. Ik betwijfel of dat de oplossing is. Wetenschappers moeten zich inhouden met p-hacking, ze moeten corrigeren voor meervoudig testen, en zouden eigenlijk alleen maar p-waarden moeten publiceren als ze van tevoren exact aangeven welke hypothese ze gaan testen en hoe ze dat gaan doen. Als het exploratief onderzoek is, dan moeten ze dat op zijn minst dat duidelijk zeggen.

Wat echter heel zorgelijk is, is dat Van Calmthout zelf het tot achtmaal toe heeft over ‘de kans op toeval’. Mijn beginsel ‘zo gauw je de frase “kans op toeval” of “due to chance” ziet staan, niet verder lezen’ is eigenlijk van toepassing.

Van Calmthout suggereert dat je een munt kunt testen door hem tienmaal op te gooien. Komt hij dan elke keer op kop, dan is de munt waarschijnlijk vals. Dat is onzin. De kans dat een willekeurige munt uit iemands portemonnee een grote voorkeur voor kop heeft is astronomisch klein. Hoe het zit met de kans dat je een corrupte goochelende scheidsrechter treft die op zo’n manier probeert te beïnvloeden wie er op welke helft speelt, dat weet ik niet. Als je moet beslissen: is dit stom toeval of is er wat met die munt, zal na een vluchtige controle of de munt niet krom is of aan beide kanten een kop heeft, de beslissing nog steeds zijn: stom toeval. Dan kun je net zo goed de vluchtige controle meteen doen, en het tienmaal opgooien overslaan.

Interessant genoeg zijn sommige munten waarvan de beeldenaar een beetje dik is niet helemaal ‘eerlijk’: als je ze op een heel gladde ondergrond, een glazen plaat bijvoorbeeld, snel om een verticale as laat tollen, vallen ze vaker met de kop naar beneden, en ‘munt’ boven. De gladde ondergrond is essentieel, want kleine oneffenheden werken als randomizer en misschien zijn er heel veel omwentelingen nodig voordat de lichte onbalans zijn werk kan doen. Op een ruwe ondergrond duurt het tollen wellicht niet lang genoeg. Rob Nanninga schreef in Parariteiten dat je onder gunstige omstandigheden negen van de tienmaal munt krijgt. Dat heb ik nooit gehaald. Het werkte vroeger met guldens met Juliana erop, en tegenwoordig met sommige euromunten (halve euro’s met koning Albert erop, naar ik meen).

Hoe slecht Van Calmthout in het vak zit, blijkt ook nog uit iets anders: de beroemde grondlegger van de wetenschappelijke statistiek, Sir Ronald Fisher, wordt betiteld met Robert Fischer (de schaakkampioen), en het feit dat hij drie jaar voor zijn dood naar Australië verhuisde is reden om hem tot ‘Brits-Australisch’ te bombarderen. Fisher begon zijn carrière op een landbouwkundig proefstation. Daar stop je zaden in de grond en je kijkt naar de opbrengst. In plaats van door te kweken met de 5 procent ‘beste’, kun je ook als criterium nemen dat de plant een ‘significant’ hogere opbrengst heeft. Maar doorkweken is toch wel wat anders dan meteen maar denken dat je een nieuwe bijzondere variëteit hebt, en daar een stuk over sturen naar een vakblad.

Filed Under: Wetenschap Tagged With: p-waarde, statistiek, toeval, visexpeditie

Promoveren op het Enneagram Model aan de Radboud Universiteit

19 September 2017 by Pepijn van Erp 46 Comments

Het is weer raak op de Radboud Universiteit in Nijmegen. Was er vorig jaar ophef over een bedroevend slecht proefschrift over acupunctuur, dit jaar trakteert de universiteit ons op een promotie op andere pseudowetenschappelijk gebied, het Enneagram. Het Enneagram Model onderscheidt negen persoonlijkheidstypen en is  volgens sommige beoefenaars gebaseerd op eeuwenoude soefiwijsheid. In de Verenigde Staten, maar ook in Nederland heeft het Enneagram inmiddels een plekje veroverd in het brede spectrum aan methodes voor persoonsontwikkeling, coaching en management. En dat terwijl er nauwelijks wetenschappelijk bewijs is voor de beweringen die eraan worden opgehangen.

Promoveren op het Enneagram Model aan de Radboud Universiteit 6

Volgende week, op dinsdag 26 september, zal Claudia Hoekx aan de Radboud Universiteit (RU) promoveren op een proefschrift over de gebruikswaarde van het Enneagram. Wie verwacht dat haar onderzoek duidelijkheid verschaft over de (pseudo)wetenschappelijke status van het Enneagram, komt bedrogen uit,  zal ik maar vast verklappen. Voor een korte uitleg over wat het Enneagram Model (EM) inhoudt en wat de ontstaansgeschiedenis is, verwijs ik de lezer naar het artikel dat Rob Nanninga in 2000 in Skepter schreef: Occulte karaktertypen – De doodzonden van het enneagram  (Skepter 13.2, 2000)

Buitenpromovenda

Hoekx is aan haar onderzoek begonnen na een master Religiestudies aan de RU. Haar belangrijkste motivatie om iets met het EM  te doen, lijkt te schuilen in mogelijkheid er ook spirituele zaken aan op te hangen.

Promoveren op het Enneagram Model aan de Radboud Universiteit 7Haar promotietraject verliep niet bepaald vlekkeloos. In een artikel in het universiteitsmagazine VOX van april 2016 over buitenpromovendi, wordt ‘haar geval’ naar voren gebracht. In eerste instantie was hoogleraar Peter Nissen haar promotor, maar daar raakte ze mee in conflict over de te bewandelen weg in haar onderzoek. Paul van der Velde, net als Nissen hoogleraar aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen aan de RU, werd haar nieuwe promotor, en aan Nyenrode Business University werd prof. dr. Rob Blomme gevonden als tweede promotor. Van der Velde gooide echter in september 2015 de handdoek in de ring, omdat hij niet zag hoe de insteek van Hoekx ooit tot een verdedigbaar proefschrift zou leiden. In ieder geval niet onder zijn begeleiding: “vastgelopen op de alom aanwezige normativiteit van de onderzoekster” en “nog steeds geen heldere kritisch-afstandelijke vraagstelling”.

Uiteindelijk is er, nu aan de Faculteit Managementwetenschappen, dan toch iemand gevonden die Hoekx naar de eindstreep heeft weten te begeleiden: prof. dr. Willem de Nijs, hoogleraar emeritus Strategisch Personeelsmanagement. Het traject resulteerde in een lijvig proefschrift van meer dan 400 pagina’s met als titel “The usefulness of the Enneagram model in The Netherlands”.

Wetenschappelijk basis voor het Enneagram model?

In haar proefschrift inventariseert Hoekx eerst wat er al zoal aan onderzoek is verschenen op dit gebied en vindt onder andere de doctoraalscriptie van Martijn Cremers (Tilburg University, 2005). Cremers onderzocht of je het EM terug kunt vinden in een ander persoonlijkheidsmodel:

Het FFM – Five Factor Model – is een algemeen geaccepteerde indeling voor de persoonlijkheid. In essentie draait persoonlijkheid om stabiele eigenschappen aangeduid als de ‘Big Five’: Dominantie, Altruïsme, Consciëntieusheid, Neuroticisme en Openheid.

Cremers’ conclusie luidt:

De basis – negen types en drie emotiecentra – van het Enneagrammodel is niet als zodanig terug te vinden. Er zijn aanwijzingen dat er samenhang is tussen de Enneagramtypes en de bijbehorende emotiecentra. Tevens zijn er samenhangen tussen de Enneagramtypes en de FFM variabelen.

De afsluitende paragraaf van Cremers’ scriptie bevat een aangename verrassing:

In mijn voorwoord heb ik geschreven dat ik aan de ene kant de critici van het model meer helderheid en duidelijkheid over het Enneagram wil bieden en aan de andere kant het met ze eens ben dat er een wetenschappelijke basis nodig is. Ik wil me daarom tot besluit aansluiten bij de scepticus Nanninga (juni 2000, www.skepsis.nl)
“Bestudering van het Enneagram hoeft niet bij voorbaat nutteloos te zijn. Het kan ons bewust maken van bepaalde verschillen tussen mensen, het kan begrip kweken voor het gedrag van anderen, het kan een manier zijn om orde te scheppen in de chaos, of het kan ertoe bijdragen dat we beter naar onszelf gaan kijken en misschien pogingen ondernemen negatieve aspecten te veranderen. Het lijkt mij echter verstandig om zulke doelen met wat minder occulte en meer wetenschappelijke middelen na te streven.”

Hoekx negeert dit onderzoek net niet helemaal, maar wijst liever op oudere (Amerikaanse) studies die zouden laten zien dat het EM wel terug te vinden is in andere persoonlijkheidsmodellen. Ze vergeet op te merken dat de persoonlijkheidsmodellen die daarbij als referentie gebruikt werden (o.a. Myer-Briggs Type Indicator) op zichzelf ook geen beste wetenschappelijke status hebben, in tegenstelling tot het FFM wat Cremers gebruikte.

Erg grondig blijkt Hoekx overigens niet te werk gegaan bij het opsporen van die andere proefschriften. Van de oudste studie (Wagner, 1981), die naar dit aspect van het EM kijkt merkt ze op: ”The preview could not make clear to the researcher whether this study was done qualitatively or quantitatively in 1981,[..]”. Bij haar literatuurverwijzing geeft ze een ellenlange link naar waar ze dit stuk vandaan heeft en daar staat inderdaad alleen een ‘preview’ van de eerste 24 pagina’s. Ik vond echter in drie muisklikken een pdf van de hele dissertatie. Snel doorscrollen laat zien dat Wagner het kwantitatief aanpakt, maar daarbij ook nauwelijks oog heeft voor het gevaar van meervoudig toetsen bij het aanwijzen van significante verbanden.

Al deze onderzoeken mogen dan, als we statistische onvolkomenheden even door de vingers zien, aantonen dat het EM intern consistent is, en betrouwbaar in de zin dat het EM type van personen nauwelijks verandert. Maar dat betekent nog niet dat het model ook een bruikbaar model is voor wat je er mee wilt doen. Volgens Nanninga in Skepter:

De waarde van zulke persoonlijkheidsprofielen is nogal beperkt omdat ze slechts in geringe mate correleren met het feitelijke gedrag. Dit gedrag is niet consistent en hangt in hoge mate af van de situatie. Als we weten dat iemand een ander heeft geholpen, kunnen we daaruit gewoonlijk niet afleiden dat hij onder andere omstandigheden eveneens hulp zal bieden.

Sociaal-constructivisme

Voor Hoekx lijkt de afwezigheid van zo’n wetenschappelijk fundament sowieso niet een heel belangrijke kwestie. Ze laat immers zien dat de onderzoeken die positief uitpakken voor het EM gebaseerd zijn op telkens andere invullingen van het EM, zodat het maar de vraag is of je kunt spreken van een groeiende verzameling aan bewijs dat steeds sterker wijst op de correctheid van het model. En de enige studie die in Nederlandse context is uitgevoerd, waarbij een wetenschappelijk geaccepteerd referentiemodel werd gebruikt, pakt negatief uit. En dan schrijft ze:

A topic that is raised by this, is: wat [sic] is the ground on which one decides that a model is a model in scientific research? In the discussed EM studies, this has been done mainly in a quantitative way. This method could be outdated. For example, the fact that people consider a model as a model is in socio-constructivist research sufficient to speak of a model as a model. From a social-constructivist point of view , the validity of a model is not something that is absolute, but something that users grant. However, the EM has not been investigated according to this paradigm.

Hoekx legitimeert haar onderzoek door te wijzen op het feit dat het EM in Nederland al veel wordt gebruikt, maar de vraag of dat gebruik zelf legitiem is op grond van het beschikbare wetenschappelijk bewijs voor het EM verwaarloost ze.
Over haar onderzoeksopzet:

The research design was based on social constructivism on methodological grounds because a realistic EM research design was not seen as the most realistic option. This implied that logically seen the attitude of the researcher was subjective, the epistemology relativistic, the methodology qualitative, and the research question was an open question.

Dit onderzoek bestaat naast het literatuuronderzoek wat ik kort besprak, uit het analyseren van interviews met coaches die jarenlange ervaring hebben in het gebruik van het EM, en managers die het EM toepassen in hun omgang met personeel.
Ondanks het beroerde Engels is het literatuuronderzoek nog best leesbaar. Deze status quaestionis is een cadeautje van Hoekx, en eigenlijk overbodig voor haar onderzoek. Ten eerste omdat er geen eerder EM onderzoek gedaan is in de Nederlandse context (hier negeert ze Cremers dus bewust, omdat dat geen dissertatie betreft, maar ‘slechts’ een doctoraalscriptie). En ten tweede omdat zoiets overbodig is in die sociaalconstructivistische opvatting van wetenschap bedrijven, waarin de onderzoeker vooral lekker blanco moet beginnen met zich onderdompelen in het onderzoek.

Wanneer Hoekx het heeft over de twee paradigma’s waarmee je volgens haar wetenschap kunt bedrijven, haak ik bijna voorgoed af. De ene, waar skeptici mee uit de voeten kunnen, gaat uit van een objectivistisch wereldbeeld, een realiteit die er ook is als we zelf niet kijken. In het sociaalconstructivistische paradigma komt kennis alleen tot stand middels interactie en is alles subjectief. [*] Het levert proza als dit op:

The objective in social constructivist research is not to identify the absolute truth, but to identify a phenomenon in such a way that the layering of the meaning of a construct, like the EM usefulness, is mapped although it is on forehand space-time limited. ‘Facts’ in social-constructivist research only have meaning in a network of research values. Knowledge claims are by definition context dependent and cannot be generalized. An important criterion for this kind of research is not causality as in realistic research, but the viability of knowledge. Viability implies the value the research has for science and society, for example: in enlivening a public debate or for policy making.
In  other words, if the EM usefulness is examined in a social-constructivist paradigm, then research results can be seen as interpretation of interpretations that map the layering of the construct EM usefulness. The results have sense in a network of research values that are societally more or less viable.

Na het lezen van dergelijke teksten, vroeg ik me af waarom Hoekx eigenlijk zo graag wilde promoveren. Maar na even nadenken, begreep ik het wel: zo’n promotiebul kun je natuurlijk zien als een interpretatie van interpretaties die de gelaagdheid van het construct promotie aan Nederlandse universiteiten blootlegt en zo betekenis krijgt in een netwerk van onderzoekswaarden die min of meer levensvatbaar zijn gebleken in onze samenleving …

Kritiek op critici

Wat verderop in het proefschrift komen we nog een hoofdstukje ‘Criticism on the EM’ tegen waar Hoekx naast wat opmerkingen uit slechts één proefschrift (Alber, 2010) tot mijn verrassing ook nog Nanninga aanhaalt! Ik had dat eigenlijk niet meer verwacht, want een van de eerste dingen die ik deed toen ik het boekwerk in handen kreeg, was in de literatuurlijst opzoeken of zijn Skepter-artikel daar bij stond, wat niet het geval is.
Van de kritiek van Nanninga pikt ze alleen op dat de enneagramtypes “niet duidelijk [zijn] vastgelegd, zodat de auteurs niet allemaal dezelfde eigenschappen aan een type toeschrijven. Op grond van hun persoonlijke ervaringen leggen ze soms andere accenten of verbanden.” Volgens Hoekx is dat begrijpelijke kritiek, maar niet problematisch voor het EM of de toepassing ervan:

The critics formulated by Nanninga are understandable if one considers that the EM typology often is described in terms that refer to external visible behaviour while it is all about the inner drive, strategy, or worldview which underlie the outward behaviour. This inner strategy is difficult to catch directly in words, so, it has been described metaphorically. However, the metaphorical description can in various ways and that might explain the huge amount of different EM type descriptions. […]
In other words, these critics stem from the fact that the EM is entrusted to paper. Who takes orally knowledge of the EM has the possibility to feel or experience directly what kind of inner strategy is most appropriate by directly recognizing the spoken energy.

Om met de grote filosoof JC (Johan Cruijf) te spreken: “Je gaat het pas zien als je het doorhebt.” Of deze opvattingen van Hoekx nog iets met zinnige wetenschapsbeoefening te maken hebben, waag ik te betwijfelen. In plaats van te verhelderen, maakt ze steeds meer een black box van het EM, waarvan de waarde alleen maar door de beoefenaars zelf ondervonden kan worden. De critici hebben zich volgens Hoekx ook alleen maar gericht op het EM als persoonlijkheidsmodel, maar niet op EM als spiritueel model. Dat laatste is dan misschien wat Hoekx er zelf zo interessant aan vindt, maar staat nogal ver af van hoe het EM in de praktijk wordt gebruikt.

En wat is het EM dan eigenlijk als spiritueel model? Hoekx beschrijft dat je aan de negen punten waarden kunt hangen, maar met de verbindingslijnen in het schema kun je volgens haar vervolgens niets, want dat zou een hiërarchie veronderstellen tussen die waarden. De meeste lezers zullen in zo’n spiritueel EM dan ook niet meer zien dan een lijstje woorden waarbij misschien gemediteerd kan worden, het plaatje van het Enneagram is compleet uit beeld verdwenen. Maar ja, zoals Hoekx eerder aangaf, het is voldoende als de gebruikers het zelf als model opvatten om het model als model te bestuderen …

Promoveren op het Enneagram Model aan de Radboud Universiteit 8

Hoekx besteedt ook nog wat pagina’s aan wiskundig gefröbel met de getallen en vormen in het Enneagram. Het paadje dat gevormd wordt door de getallen 1-4-2-8-5-7 spreekt tot de verbeelding, je kunt het terugzien in de decimale ontwikkeling van de breuk 1/7 = 0,142857142857… Als je dit vermenigvuldigt met 1, 2, 3, 4, 5 of 6 blijf je dezelfde getallenreeks tegenkomen. En dan komt een zinnetje waarbij ik zowat van de bank viel toen ik het las: “Furthermore these numbers are listed in the constant pi (π=3.142857).” Au.
Een pagina eerder poneert ze “The property of the recurring fracture occurs only in the decimal number system” wat onbegrijpelijk is (recurring fracture is geen wiskundige maar een medische term). Als er bedoeld is dat repeterende breuken alleen in het decimale systeem voorkomen is het onwaar. Voorts dateert ze de ontdekking van het decimale systeem in de 15de eeuw, waarmee ze er ongeveer een millenium naast zit. En de directe voorloper van de schrijfwijze met decimalen achter de komma zoals wij die nu gebruiken, is eind zestiende eeuw bedacht door Simon Stevin. Au, Au. Een pagina verderop blijkt ze ook al niet te weten dat het idee van een magisch vierkant is dat je het moet vullen met allemaal verschillende getallen. Driewerf au.

Nog even kort over die interviews die Hoekx afnam en analyseerde. Ze gebruikte daarvoor de Grounded Theory Approach, die als ik het goed begrijp neerkomt op het gaandeweg identificeren van begrippen en categorieën in de beschikbare kwalitatieve gegevens (zoals deze interviews) net zo lang tot je niets nieuws meer tegenkomt: er treedt saturatie op. Vervolgens kun je dan de onderlinge relaties van die gevonden begrippen verder analyseren. [*]
Wat Hoekx opviel was dat die saturatie niet op leek te treden bij de interviews met de coaches met minstens 15 jaar ervaring. Zij besloot dat het na 12 gesprekken wel welletjes was, een tamelijk willekeurig punt om haar onderzoek af te kappen. Je zou je natuurlijk ook af kunnen vragen of het uitblijven van die saturatie niet een heel sterk signaal is dat je werkelijk alles wat je maar wil aan het EM kunt ophangen (en dat dat in de praktijk ook gebeurt), en dat daarmee het model zo ‘open’ is dat het volstrekt nietszeggend is.

Promotieplechtigheid

De promotiecommissie bestaat zoals gebruikelijk aan de RU uit de (co)promotoren en nog minstens vijf personen, waaronder de leden van de manuscriptcommissie. In dit geval zit er ook niemand anders in. Alle leden van de promotiecommisie hebben dus als promotor of als lid van de manuscriptcommissie eigenlijk al hun fiat aan dit proefschrift gegeven. Er zijn blijkbaar ook geen andere experts op dit vakgebied aangezocht voor de oppositie en niemand heeft zich daar zelf voor aangemeld. De promotieplechtigheid belooft dus een gezellig onderonsje te worden. We zullen zien of er nog wat spannends gebeurt en daarover later berichten.

Twee personen uit de manuscriptcommissie komen overigens ook voor in een ander artikel dat Rob Nanninga in Skepter schreef: Spiritualiteit voor managers – Go with the flow naar Nyenrode (Skepter 20.2, 2007), het gaat om de inmiddels 93 jarige ‘honorair’ hoogleraar Paul de Chavigny de Blot en Sharda Nandram, associate professor Entrepeneurship and Spirituality, beiden aan Nyenrode Business University.
Verder hebben we dan nog prof. dr. Hans Doorewaard (hoogleraar emeritus Organisatieontwikkeling aan de RU), prof. dr. Herman van den Bosch (hoogleraar Management Education aan de Open Universiteit) en  prof. dr. Teun Hardjono (hoogleraar emeritus Quality Management aan de Erasmus Universiteit). De betrokkenheid van Hardjono is enigszins opmerkelijk te noemen. Hij kwam een paar jaar terug in opspraak toen een promovendus van hem op plagiaat werd betrapt. Een van de maatregelen die de Erasmus Universiteit Hardjono oplegde, was dat hij aan die instelling geen promovendi meer mocht begeleiden en  ook geen lid meer mocht zijn van een promotiecommissie. Aan de Radboud Universiteit mag hij zo’n rol blijkbaar nog wel vervullen.

Zie het verslag van de promotie:

Enneagrampromotie

 


* Voor bepaalde onderzoeken kan ik me nog wel indenken dat je het sociaal-constructivisme een zinnige aanpak is (al dan niet met die Grounded Theory Approach), maar om daarmee zaken te onderzoeken waarover in de wetenschap toch aardige consensus bestaat dat het om pseudowetenschap gaat, lijkt me erg onverstandig. Maarten Boudry en Filip Buekens lieten al eens zien dat als je sociaal-constructivisme gewoon toepast, je daarmee uitstekend bewijs kunt leveren voor de Freudiaanse psychoanalyse, wat wel aantoont dat er dan iets goed misgaat 😉

Filed Under: Pseudowetenschap, Wetenschap Tagged With: Claudia Hoekx, enneagram, promotie, Radboud Universiteit

Atheïsten zijn misschien beter in logische puzzels

9 August 2017 by Pepijn van Erp 17 Comments

Van iemand die ernstige misdrijven begaat, nemen mensen eerder aan dat het om een atheïst gaat dan om iemand met een religieus geloof. Dit gaat wereldwijd op, in landen met verschillende overheersende religies en ook in de meest seculiere samenlevingen. En opvallend is dat dit idee zelfs leeft bij mensen die zichzelf als atheïst bestempelen. Dit zou aangetoond zijn in een onderzoek dat gehouden is bij meer dan 3000 personen, verspreid over dertien landen, waaronder Nederland. 

Het gaat om onderzoek van Will Gervais, hoogleraar psychologie aan de universiteit van Kentucky, die samen met een berg co-authors in Nature Human Behaviour het artikel met de titel Global evidence of extreme intuitive moral prejudice against atheists schreef. Het onderzoek is lekker opgepikt door de media wat o.a. tot de volgende koppen leidde: “Atheists tend to be seen as immoral – even by other atheists: study” (The Guardian), “Rapport: mensen verwachten van atheïst eerder misdaad dan van gelovige” (Reformatorisch Dagblad), “Atheisten wird weniger Moral zugetraut” (Süddeutsche Zeitung), “Anti-Atheist Prejudice Is Entrenched Around The Globe, Even Among Atheists” (Huffington Post), “Selbst Atheisten halten Gläubige für bessere Menschen”(Welt) en “Zelfs atheïsten denken dat immorele mensen atheïst zijn”(Scientias). En zoals gebruikelijk geven niet al die stukken het onderzoek even goed weer.

De onderzoekers legden de proefpersonen het volgende gruwelijke verhaaltje voor:

Een man begon in zijn jeugd dieren te pijnigen. Eerst trok hij de vleugels van vliegen uit, maar geleidelijk ging hij over tot het martelen van katten en andere dieren in de omgeving

Als volwassene kwam de man erachter dat hij niet veel genoegen meer beleefde aan het pijnigen van dieren, dus begon hij mensen te belagen. Hij heeft 5 daklozen vermoord, die hij ontvoerde uit arme wijken in zijn woonplaats. Hun uiteengereten lichamen liggen momenteel begraven in zijn kelder.

Ze keken daarna of de proefpersonen het waarschijnlijker vonden dat de persoon in het verhaal atheïst of gelovige was, maar niet zo direct. Ze gebruikten daarvoor een trucje dat gebaseerd is op het werk van Amos Tversky en Daniel Kahneman, de Conjunction Fallacy.

Aan één groep werd de volgende keuze voorgelegd:

Wat is waarschijnlijker?

1. De man is een leraar.
2. De man is een leraar en gelooft niet in god.

En de andere groep kreeg de volgende keuze:

Wat is waarschijnlijker?

1. De man is een leraar.
2. De man is een leraar en is een gelovige.

Iemand die oplet, zal opmerken dat in in beide gevallen optie 2 onlogisch is. De toevoeging over het al dan niet geloven beperkt de groep waaruit je kunt kiezen en dus is het minder waarschijnlijk dat de man uit het verhaaltje daar bij zit. Veel mensen zien dit echter niet en zouden door hun (onbewuste) vooroordelen de tweede optie waarschijnlijker vinden. Je zou op deze manier beter inzicht krijgen in wat mensen denken, dan door het ze gewoon te vragen.
Wat de onderzoekers nu vonden is dat dat effect sterker is als die toevoeging inhoudt dat de man in het verhaal een atheïst is. En dat zou dan aantonen dat immorele daden eerder toegeschreven worden aan atheïsten dan aan gelovigen. Het effect is niet in elk land even sterk:

Atheïsten zijn misschien beter in logische puzzels 9

Als het om de keuze gaat waarbij atheïsme als mogelijke eigenschap wordt geboden, trappen de proefpersonen in ongeveer 6 van de 10 gevallen in de logische valstrik, maar als het er om gaat of de man misschien een gelovige is, maar in 3 van de 10 gevallen. Of je daar meteen de conclusie uit kunt trekken dat atheïsten eerder als verdacht worden gezien dan gelovigen, vind ik niet helemaal vanzelfsprekend. Het is een beetje jammer dat er niet ook een groep meegenomen is die de volgende vraag zou hebben gekregen:

Wat is het waarschijnlijkst?

1. De man is een leraar.
2. De man is een leraar en is een gelovige.
3. De man is een leraar en gelooft niet in god

Dan had je namelijk een veel directere vergelijking kunnen maken. De onderzoekers deden wel een paar andere kleine controle-experimenten achteraf (niet vooraf geregistreerd), waarbij ze o.a. naar verschillende verwoordingen van de vraagstelling keken en naar minder heftige misdaden. Dat maakte allemaal niet zoveel uit, het verschil in effect blijft dan overeind.

De onderzoekers keken ook hoe het ligt als je alleen kijkt naar de proefpersonen die zichzelf als volstrekt niet gelovig zien:

Furthermore, we examined posterior model predictions for atheists (those rating their belief in God at 0 out of 100). Among atheists, our model predicts an overall conjunction error rate probability of 0.52 for atheist targets (95% HPDI 0.40, 0.64), but only 0.28 (95% HPDI 0.22, 0.33) for religious targets; relative risk is 1.91 (95% HPDI 1.41, 2.48) (posterior probability > 0.999). Effects hold even in highly secular countries such as Australia, China, the Czech Republic, the Netherlands and the United Kingdom: even atheists are predicted to intuitively associate serial murder more with atheists than with believers in these countries (all posterior probabilities exceeding 0.98)

Ofwel, ook atheïsten zien iemand die gruweldaden pleegt eerder als atheïst dan als gelovig. En dat is misschien wel het meest onverwachte resultaat van het onderzoek.

Aan de andere kant zie je ook het volgende:

Atheïsten zijn misschien beter in logische puzzels 10

Dus, hoe lager het zelfbenoemde geloof in hogere machten, des te kleiner lijkt de kans dat proefpersonen de logische valstrik niet doorhadden. Je zou kunnen zeggen dat de onderzoekers hebben laten zien dat atheïsten beter in logica zijn.

We moeten natuurlijk wel beseffen dat de hier gevonden verschillen gemaakt worden door mensen die op logisch denken, in ieder geval tijdens dit onderzoek, een onvoldoende hebben gescoord. En wat weten we nu eigenlijk over de gedachten van de deelnemers die voor de logisch correcte optie 1 gingen? Dat is wel de meerderheid in de steekproef. Misschien kozen ze voor optie 1 omdat ze de logica begrepen, of omdat ze geen verschil zagen en die optie toevallig aankruisten. Of misschien kozen ze ervoor terwijl ze zich betrapten op de gedachte dat ze optie 2 wel waarschijnlijker vonden, maar dat niet politiek correct vonden.
Ook is de representativiteit van de proefpersonen als zo vaak in psychologisch onderzoeken bedenkelijk, jonge vrouwen zijn zwaar oververtegenwoordigd en het merendeel studeert waarschijnlijk ook nog zelf psychologie.

Lees tenslotte even de laatste zinnen van het abstract:

Notably, anti-atheist prejudice was even evident among atheist participants around the world. The results contrast with recent polls that do not find self-reported moral prejudice against atheists in highly secular countries, and imply that the recent rise in secularism in Western countries has not overwritten intuitive anti-atheist prejudice. Entrenched moral suspicion of atheists suggests that religion’s powerful influence on moral judgements persists, even among non-believers in secular societies.

Wat is het waarschijnlijkst?

  1. Dit is opgeschreven door psychologen.
  2. Dit is opgeschreven door psychologen die nogal graag verstrekkende conclusies trekken uit cijfermateriaal dat heel wat minder eenduidig te interpreteren valt dan ze doen voorkomen en daarmee lekker in de media scoren.
  3. Dit is opgeschreven door psychologen die zich terecht zorgen maken over de bejegening van atheïsten wereldwijd.

Filed Under: (Bij)Geloof, Wetenschap Tagged With: Atheisme, moraal, psychologie

  • « Go to Previous Page
  • Page 1
  • Interim pages omitted …
  • Page 3
  • Page 4
  • Page 5
  • Page 6
  • Page 7
  • Interim pages omitted …
  • Page 40
  • Go to Next Page »

Primary Sidebar

Steun ons via:
Een aankoopbol.com Partner (meer info)
Of een donatie

Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Skeptic RSS feed

  • Skepsis
  • Error
  • SBM
In de fuik van fabel en fictie – inzichten in mis- en desinformatie
18 April 2026 - Ward van Beek

‘De Fuik’, Paulien Valk, Texel Het Skepsiscongres 2026, op 31 oktober a.s., in Congrescentrum de Eenhoorn in Amersfoort, heeft dit jaar als thema: “In de fuik van fabel en fictie – inzichten in mis- en desinformatie.” De titel spreekt voor…Lees meer In de fuik van fabel en fictie – inzichten in mis- en desinformatie › [...]

10 drogredenaties uit trukendoos antivaxers
31 March 2026 - Ward van Beek

 De antivaccinatiebeweging weet massa’s mensen te overtuigen – alleen al de dalende vaccinatiegraad bewijst dat. De argumenten die ze gebruiken klinken overtuigend. Het zijn stuk voor stuk drogredenen. Epidemioloog Hassan Vally bespreekt er tien.  Dit artikel staat ook in Skepter 39.1…Lees meer 10 drogredenaties uit trukendoos antivaxers › [...]

De succesformule voor bedrog
16 March 2026 - Ward van Beek

De Keshe Foundation verkoopt pseudowetenschappelijke plasmatechnologie door met technische termen en autoriteit te strooien, bizarre voorspellingen te doen en zich af te zetten tegen de gevestigde wetenschap.Lees meer De succesformule voor bedrog › [...]

RSS Error: Retrieved unsupported status code "404"

The Authors of the Book “The War on Science” Won Their War. Are They Happy Now?
6 June 2026 - Jonathan Howard
The Authors of the Book “The War on Science” Won Their War. Are They Happy Now?

Trans people are literally on the run and research into topics our government deems “DEI” is verboten. Has this ushered in a golden era of open scientific research and discovery? The post The Authors of the Book “The War on Science” Won Their War. Are They Happy Now? first appeared on Science-Based Medicine. [...]

The COVID Amnesia Project: Erasing Your Free Will to Preserve the Fantasy of the Optional Pandemic
5 June 2026 - Jonathan Howard
The COVID Amnesia Project: Erasing Your Free Will to Preserve the Fantasy of the Optional Pandemic

Countless millions of Americans prioritized their health and protecting their neighbors over an imagined return to normal in 2020. Our sacrifices deserve recognition and gratitude, not amnesia and revisionist history from sheltered political scientists. The post The COVID Amnesia Project: Erasing Your Free Will to Preserve the Fantasy of the Optional Pandemic first appeared on Science-Based Medicine. [...]

Revolutions in Drug Delivery
4 June 2026 - Scott Gavura
Revolutions in Drug Delivery

New medicines are getting better. But so is our ability to get them where they need to go. The post Revolutions in Drug Delivery first appeared on Science-Based Medicine. [...]

Recente reacties

  • Renate1
    on Artsencollectief geeft podium aan kankerkwakzalver William Makis op hun quackfest
    Ja, in de VS zijn diabetesdeskundigen verwijderd uit een conferentie omdat ze kritiek hadden op de heer Trump. https://www.nytimes.com/2026/
  • Klaas van Dijk
    on Artsencollectief geeft podium aan kankerkwakzalver William Makis op hun quackfest
    @Hans1263, Jona Walk en Saskia Mostert zijn (ondertussen) onderdeel van een internationaal netwerk wat als doel heeft om levensgevaarlijke a
  • Hans1263
    on Artsencollectief geeft podium aan kankerkwakzalver William Makis op hun quackfest
    @Klaas van Dijk De VS zijn echt het aangewezen land om over "academic repression" te gaan praten! Ik kan het
  • Klaas van Dijk
    on Artsencollectief geeft podium aan kankerkwakzalver William Makis op hun quackfest
    @Hans1263, via een omweg bovenstaande uitspraak van de ZGT intensivist Jona Walk over Saskia Mostert gearchiveerd https://archive.ph/TPw5p J
  • Hans1263
    on Artsencollectief geeft podium aan kankerkwakzalver William Makis op hun quackfest
    @Klaas van Dijk Het kan even duren maar het schip strandt vanzelf. Mede dankzij uw voortdurende actie. Hoe zou het

Archief Kloptdatwel.nl

Copyright © 2026 · Metro Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in