• Skip to primary navigation
  • Skip to main content
  • Skip to primary sidebar

Kloptdatwel?

  • Home
  • Onderwerpen
    • (Bij)Geloof
    • Columns
    • Complottheorieën
    • Factchecking
    • Gezondheid
    • Hoax
    • Humor
    • K-d-Weetjes
    • New Age
    • Paranormaal
    • Pseudowetenschap
    • Reclame Code Commissie
    • Skepticisme
    • Skeptics in the Pub
    • Skeptische TV
    • UFO
    • Wetenschap
    • Overig
  • Skeptisch Chatten
  • Werkstuk?
  • Contact
  • Over Kloptdatwel.nl
    • Activiteiten agenda
    • Colofon – (copyright info)
    • Gedragsregels van Kloptdatwel
    • Kloptdatwel in de media
    • Interessante Links
    • Over het Bol.com Partnerprogramma en andere affiliate programma’s.
    • Social media & Twitter
    • Nieuwsbrief
    • Privacybeleid
    • Skeptisch Chatten
      • Skeptisch Chatten (archief 1)
      • Skeptisch Chatten (archief 2)
      • Skeptisch Chatten (archief 3)
      • Skeptisch Chatten (archief 4)

Gezondheid

Tweehonderd jaar Koninkrijk der Nederlanden en wat dat te maken heeft met het bijgeloof

11 April 2014 by Cees Renckens 84 Comments

Tweehonderd jaar Koninkrijk der Nederlanden en wat dat te maken heeft met het bijgeloof 1
Cees Renckens schrijft columns voor Kloptdatwel. Van 1988 tot 2011 was hij voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Foto: Vivian Oei.

Op 29 maart 2014 was het tweehonderd jaar geleden dat Nederland, dat zich kort te voren ontworsteld had aan de Franse bezetting, zijn Grondwet kreeg en een monarchie werd onder koning Willem I. Talrijk waren de kranten-artikelen over deze heuglijke geschiedenis en ook op de vaderlandse televisie is er veel aandacht geweest voor deze historie. Veelvuldig kwam daarbij ook Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834) in beeld.

Deze ‘raadspensionaris’ was de ontwerper van de grondwet, waarbij aangetekend moet worden dat de jonge Willem I ook een aanzienlijke invloed op het eindresultaat heeft gehad. De uit een aanzienlijk regentengeslacht voortgekomen Van Hogendorp studeerde rechten in Berlijn en Leiden en werd sterk beïnvloed door denkers als Voltaire, Rousseau en Hume. Op aanbeveling van niemand minder dan Benjamin Franklin reisde hij in 1783 ook door de VS en hij ontmoette daar o.a. Thomas Jefferson en George Washington. Hij bestudeerde er de Amerikaanse Constitutie, welke hem inspireerde tot de Grondwet die hij voor ons land in gedachten had. In de vele beschouwingen rond dit eeuwfeest wordt Van Hogendorp bejubeld en wordt zijn latere val en onmin met Willem I uitgebreid besproken. Overal in Nederland zijn straten naar hem genoemd.

Karikatuur van een magnetiseur (bron: Bibliothèque nationale, via Wikimedia Commons)
Karikatuur van een magnetiseur (bron: Bibliothèque nationale, via Wikimedia Commons)

Nergens las ik dat de carrière van de jonge en briljante staatsrechtgeleerde in de periode 1791 tot 1793 om onduidelijke redenen stagneerde. Hij was nog ‘slechts’ tweede pensionaris van de stad Rotterdam en hij was zeer ambitieus. Toch werd hij in 1793 gepasseerd voor de posten van thesaurier-generaal en die van secretaris van de Raad van State. De verklaring daarvoor, aldus documenten uit die tijd, bestond uit zijn arrogantie, neerbuigendheid en een superioriteitsgevoel, dat in die periode leek samen te hangen met zijn geloof in het ‘dierlijk magnetisme’, dat toen net vanuit Frankrijk in Rotterdam werd geïntroduceerd.
Van Hogendorp was daarin zeer geïnteresseerd, bezocht demonstraties en werd door deze nieuwe geneeswijze van zijn hypochondrische klachten afgeholpen, waar eerder geen medicus dat gelukt was. Hij raakte diep geïnvolveerd in het magnetiseren en ging de kunst ook zelf beoefenen, overigens niet in het openbaar. Hij was onder de indruk van de prestaties van de somnambules (‘slaapsters’) Antje en Janny, die vaak samenwerkten met magnetiseurs. Hij vroeg hen om advies in medische en persoonlijke zaken.
Onder de artsen uit die tijd waren er enkele aanhangers, sommigen twijfelden en er waren direct al felle tegenstanders als Voltelen en Bake, die zich erover verwonderden dat vakbroeders en zovele hooggeplaatste figuren zich lieten meeslepen door dit ‘verregaand bedrog’. Eerst toen Van Hogendorp er vanaf eind 1793 verder het zwijgen toe deed over het ‘Mesmeriaans bedrog’, toen kon zijn staatsrechtelijke carrière haar tempo weer hernemen en zo bracht hij het nog tot vicepresident van de Raad van State en minister van staat. Beide functies werden hem later door de koning ontnomen, waarna hij Kamerlid werd. Ook Thorbecke liet zich bij de grondwetsherziening van 1848 leiden door de ideeën van Van Hogendorp.

Ik laat het aan de lezer over of hij bij deze geschiedenis parallellen ziet met de opkomst van meer hedendaagse kwakzalverijen, hoewel helaas geconstateerd moet worden dat we van de paranormale geneeskunde nog steeds niet verlost zijn. Er wordt les in gegeven op het Van Praag Instituut in Utrecht en heet tegenwoordig ‘therapeutic touch’. Van geloof in paranormale geneeswijzen door politici is thans nog maar erg weinig over. Uitzonderingen zijn GroenLinks, dat erg pro alternatieve geneeswijzen blijft, terwijl ik zelf een voormalig wethoudster ken, die helderziende gaven heeft. Zij is lid van een ‘lokale partij’, laat zich op haar gave niet voorstaan en zal Den Haag wel niet gaan halen.

Literatuur:  Joost Vijselaar – De Magnetische Geest. Het Dierlijk Magnetisme 1770-1830. Uitg. SUN,

Tweehonderd jaar Koninkrijk der Nederlanden en wat dat te maken heeft met het bijgeloof 2
Tweehonderd jaar Koninkrijk der Nederlanden en wat dat te maken heeft met het bijgeloof 3

2001.

Filed Under: Alternatieve schade, Columns, Gezondheid Tagged With: Gijsbert Karel van Hogendorp, mesmerisme, therapeutic touch, Van Praag Instituut

Uit Skepter: Homeopaten weerleggen het similiaprincipe

31 March 2014 by Pepijn van Erp 169 Comments

Méthode homeopathique (similia Similibus)
Méthode homeopathique (similia Similibus)

“Alle homeopathische geneesmiddelen maken gezonde mensen tijdelijk een beetje ziek, doordat ze specifieke symptomen opwekken. Maar wanneer je al last hebt van die ongewenste symptomen, dan helpt het middel je juist om ervan af te komen. Dat is het similiaprincipe, de grondgedachte achter de homeopathie. Samuel Hahnemann vatte het samen in het motto: Similibus similia curentur.

Volgens homeopaten kun je ziektesymptomen genezen met een middel dat bij gezonde mensen soortgelijke symptomen oproept. Zij hebben in de afgelopen 200 jaar al talloze proeven uitgevoerd waaruit bleek dat vrijwel alle stoffen als geneesmiddel kunnen worden gebruikt.

Pas de laatste jaren zijn er meer homeopaten tot de ontdekking gekomen dat het heel moeilijk is om wetenschappelijk aan te tonen dat homeopathische middelen meer symptomen opwekken dan een placebo.”

Bij het uitkomen van een nieuwe Skepter komen de meeste artikelen uit het vorige nummer online beschikbaar. Daarom kun je ook als je (nog) geen abonnee bent nu het vervolg van dit artikel lezen. Op de Skepsis website is er geen mogelijkheid om te reageren op de artikelen, dan kan wel hieronder.

Lees het volledige artikel op de site van Skepsis:

Op zoek naar het similiaprincipe – Homeopaten weerleggen Hahnemanns leer

door hoofdredacteur Rob Nanninga, Skepter 26.1 (2013)

In het artikel wordt uitgebreid ingegaan op de geneesmiddelproeven waarmee homeopaten ‘vaststellen’ welk middel bij welk symptoom past. Interessant is een vrije recente proef van de Duitse homeopatisch arts Michael Teut. Die deed een goed opgezette proef met Okoubaka aubrevillei, verdund tot C12. De deelnemers (29) noteerden eerst een week lang al hun symptomen. Daarna kregen ze een aantal dagen suikerbolletjes te slikken, sommigen het echte middel en anderen een placebo. Om de mogelijke effecten van de pillen te bepalen, legden ze  drie weken lang alle symptomen vast die ze bij zichzelf opmerkten. Op deze manier zou je de symptomen die karakteristiek zijn voor Okoubaka C12 moeten kunnen onderscheiden van placebo-effecten en normaal optredende symptomen. Echter:

Gemiddeld genomen rapporteerden ze negen symptomen waar ze eerder geen last van hadden. Maar het maakte niet uit of ze al of niet het echte middel hadden geslikt. Beide groepen hadden evenveel klachten. De onderzoekers gingen ook na in hoeverre deze overeenstemden met de lijst in de Materia Medica. Er werden wel wat overeenkomsten gevonden, maar die kwamen eveneens in de placebogroep voor. Het enige verschil was dat vrouwelijke proefpersonen significant meer klachten kregen dan mannelijke, zoals al eerder was gebleken uit onderzoek naar het nocebo-effect.

Het onderzoek van Teut is vrij toegankelijk. In een nieuwsbrief van NIKIM (pdf) staat een verslag van het European Conference on Integrative Medicine (Berlijn okt. 2013), waar Teut er wat over vertelde:

Dr. Michael Teut van het Charité ziekenhuis in Berlijn presenteerde onbegrijpelijke resultaten dat vrijwilligers in een proving van Okoubaka aubreville die in het onderzoek placebo kregen, ook de symptomen van het homeopathisch geneesmiddel zelf rapporteerden.

Je zou verwachten dat dit voor homeopaten schokkende resultaat wel wat beroering zou veroorzaken en stevige discussie binnen hun kringen. Maar als ik zoek op Internet vind ik echter zo goed als niets wat daar op lijkt.

Bij het artikel stonden in de Skepter een aantal kaders die nu als afzonderlijke blogs op het Skepsis-blog zijn verschenen (wel met reactiemogelijkheid):

  • Homeopathie bij hooikoorts
  • De Milwaukee test met homeopaten over een onderzoek van Amerikaanse homeopaten tweede helft 19e eeuw, kwam ook niets goeds uit voor het similiaprincipe.
  • Hahnemanns proef met kinabast

Filed Under: Gezondheid Tagged With: geneesmiddelproef, Hahnemann, homeopathie, Milwaukee test, Okoubaka aubrevillei, Similibus similia curentur, skepter, Teut

Uit Skepter: elektroacupunctuur voor koeien in Wageningen

26 March 2014 by Pepijn van Erp 37 Comments

Engels - UK vlag 30x24“Op 22 maart 1995 landt de Sojoez 20 op een vlakte in Kazachstan. De capsule brengt onder anderen de Russische kosmonaut Valeri Poljakov van het ruimtestation Mir terug naar Aarde. Poljakov stelt hiermee het recordverblijf in de ruimte op 437 dagen, 17 uur en 58 minuten, een record dat tot op vandaag overeind staat. Poljakov blijkt na de landing nog opmerkelijk fit en kan op eigen kracht van de capsule naar een gereedstaande bus wandelen.

In augustus 2012 publiceren onderzoekers van de Universiteit Wageningen een artikel, waarin ze verslag doen van hun onderzoek naar het gebruik van elektroacupunctuur bij koeien. Regelmatig meten op zes acupunctuurpunten geeft bruikbare informatie over de gezondheid van de koeien. Tijdige behandeling in geval van geconstateerde gezondheidsproblemen met dezelfde apparatuur zou in de toekomst een belangrijke rol kunnen spelen bij het terugdringen van antibioticagebruik.

Deze twee verhalen lijken niets met elkaar te maken te hebben, maar er is een opmerkelijke connectie.”

Valeri Poljakov gebruikt het Prognos systeem aan boord van de Mir en acupunctuurpunten van een koe.
Valeri Poljakov gebruikt het Prognos systeem aan boord van de Mir en acupunctuurpunten van een koe.

Bij het uitkomen van een nieuwe Skepter komen de meeste artikelen uit het vorige nummer online beschikbaar. Daarom kun je ook als je (nog) geen abonnee bent nu het vervolg van dit verhaal lezen en er achter komen waar ik op stuitte toen ik over het onderzoek van Wageningen las en verder ging zoeken. Op de Skepsis website is er geen mogelijkheid om te reageren op de artikelen, dan kan wel hieronder.

Lees het volledige artikel op de site van Skepsis:

Esoterische ruimtetechnologie voor koeien in Wageningen

door Pepijn van Erp, Skepter 26.1 (2013)

Update 30-3-2014

Links naar de artikelen van de Wageningse onderzoekers:

  • Bosma, R.H.; Kalkers-van de Ven, S.C.G.; den Boer, M.M.J. Effect of Time (Within and Between Days), and Dairy Production Factors on the Impedance Value at 24 Acupuncture Points in Dairy Cows. Animals 2012, 2, 415-425.http://www.mdpi.com/2076-2615/2/3/415 Zoals in de commentaren opgemerkt, staat deze uitgeverij inmiddels op Beall’s list [mirror] van Open Acces uitgevers en tijdschriften waaraan een luchtje zit.
  • R.H. Bosma, H.F.J. Savelkoul, K. Frankena, T. Baars, E. Laarakker, Dairy herd health, impedance on six acupuncture points and immune response factors in milk: A pilot study, Livestock Science, Volume 99, Issues 2–3, February 2006, Pages 285-290, ISSN 1871-1413, 10.1016/j.livprodsci.2005.07.002. http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0301622605002095

En een YouTube promotie filmpje voor het Prognos systeem waarin Poljakov te zien is aan boord van Mir.

https://www.youtube.com/watch?v=sXx5S-SXtpo

Filed Under: Gezondheid, Pseudowetenschap Tagged With: elektroacupunctuur, Huub Savelkoul, i-health, I-Tronic, koeien, Mauk den Boer, Medprevent, Mir, Prognos, Roel Bosma, ruimtevaart, Sagrjadski, skepter, Valeri Poljakov, Zagriadski

Mazelenvaccinatie – statistieken van de niet-inenters

17 March 2014 by Pepijn van Erp 92 Comments

De mazelen-epidemie die in mei 2013 begon, loopt gelukkig ten einde. De mazelen doken voornamelijk op in gemeenten met een lage vaccinatiegraad en die liggen voor het grootste deel op de Bible Belt, de strook van Zeeland tot in Overijssel waar veel personen van reformatorische gezindte wonen. Niet zo vreemd dat er weer veel discussie was of niet-inenten vanwege godsdienstige redenen nog wel van deze tijd is en of vaccinatie niet verplicht zou moeten worden. De niet-inentende refo’s lagen behoorlijk onder vuur. Begin augustus kwam echter opeens een andere groep niet-inenters in beeld, de antroposofen.

Volgens een artikel in Trouw zouden die minstens zo’n grote groep niet-vaccinerenden zijn en het is dus niet terecht om met het betweterige vingertje alleen op de reformatorische christenen te wijzen:

Maar de grootste groep niet-inenters bestaat volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uit antroposofen, bijvoorbeeld bekend van de vrije scholen. Het vooroordeel kan de wereld uit: reformatorische christenen vormen niet één massief blok tegen kindervaccinatie. Veel eensgezinder daarin zijn de antroposofen.

Op het blog van Skepsis hield Jan Willem Nienhuys wekelijks de stand van zaken bij rond de mazelenepidemie. Hij merkte als eerste op dat het verhaal dat antroposofen de grootste groep niet-inenters zou zijn, niet kon kloppen. Het verhaal bleef echter hardnekkig rondzingen, ondanks dat het RIVM nadrukkelijk ontkende het zo gezegd te hebben. De Trouwjournalist die het optekende uit de mond van Roel Coutinho (toen nog directeur Centrum infectieziektebestrijding van het RIVM), wilde niet van een misverstand weten en het ‘feit’ werd vervolgens door andere kranten, medische websites en weblogs overgenomen.
Harde gegevens over de samenstelling van de groep niet-inenters zijn niet beschikbaar, maar door de beschikbare data te combineren kun je wel tot de conclusie komen, dat het niet klopt. Twitteraar @ticobas stoorde zich nogal al aan de halsstarrigheid van de bewuste journalist en pakte de handschoen op om uit te zoeken hoe het nu wel zit. Die zoektocht mondde uit in een drietal uitgebreide blogs op de website Fallacy hunting.

Mazelenpatiënten-1-5-2013-26-2-2014In de eerste blog (Mazelen statistieken (I) – Is 1 op de 5 niet-inenters een ‘refo’?) probeert @ticobas een realistischere schatting te geven van het aandeel niet gevaccineerden vanwege godsdienstige redenen. De schatting die het RIVM hanteert (20 procent) is gebaseerd op een berekening die wel erg kort door de bocht is, percentages die slaan op verschillende leeftijdsgroepen worden gemakshalve met elkaar vermenigvuldigd. De schrijver focust op de basisschoolpopulatie wat wel een redelijk keus is, omdat dat de belangrijkste groep is die risico loopt om mazelen te krijgen tijdens een epidemie. Op basis van een aantal beargumenteerde aannames en schattingen is de conclusie dat niet ingeënte basisschoolleerlingen van bevindelijk gereformeerde ouders tussen de 23 en 33 procent van het totaal uitmaken.
Hoe het zit met de antroposofische basisschoolleerlingen wordt in het tweede deel onderzocht (Mazelen statistieken (II) – Vormen antroposofen grootste groep niet-inenters, zoals in Trouw is beweerd?). Alléén als alle leerlingen op vrije scholen uit ‘antroposofen gezinnen’ komen én geen enkele leerling op een vrije basisschool ingeënt zou zijn, zouden antroposofische niet-inenters in aantal gelijkwaardig zijn aan de bevindelijk gereformeerde niet-inenters. Dat is natuurlijk niet aan de hand en met een aantal betere schattingen kom je tot de conclusie dat de niet-ingeënte vrije school leerlingen (antroposofen) slechts 6 tot 14 procent van het totaal niet-ingeënte basisschoolleerlingen uitmaken. De stelling van het Trouw artikel klopt dus niet, of het nu een slip of the tongue van Coutinho was of een verkeerde interpretatie van de journalist.

Tenslotte kijkt @ticobas in het derde deel (Mazelen statistieken (III) – Refobolwerken en Steinersteden) naar een ander punt uit het Trouw-artikel: “niet álle refoplaatsen zijn bastions van prikweigeraars”, dat wordt ‘aangetoond’ door te wijzen op de vaccinatiegraden van sommige ‘steinersteden’, die lager zijn dan die van sommige ‘refobolwerken’. In het blog wordt echter korte metten gemaakt met dit creatief gecijfer. Trouw vergelijkt het aantal leerlingen (wonend in welke gemeente dan ook), dat naar een reformatorische school in een gemeente gaat met de vaccinatiegraad van het aantal leerlingen dat in die gemeente woont. Dat werkt nogal misleidend, omdat op die reformatorische school veel leerlingen van buiten de gemeente kunnen zitten. In het geval van een aantal van die refobolwerken (o.a. Gorinchem dat Trouw als voorbeeld gebruikt) pakt dit ‘gunstig’ uit voor degene die wil betogen dat de aandacht voor refo’s in deze discussie overtrokken is, omdat het bij de antroposofen minstens zo erg is.

Het gaat er nu even niet om om de Zwarte Piet bij de ene of andere groep niet-inenters te leggen, of om de redenen van de refo’s en antroposofen om niet te vaccineren tegenover elkaar te zetten. Het is duidelijk dat zowel antroposofen als refo’s een belangrijk aandeel vormen binnen de groep niet-inenters. De laatsten wonen geografisch meer geconcentreerd en zijn dus vaker de klos als de mazelen toeslaan. Het stuk van Trouw lijkt echter iets meer dan een vergissing. Het was slecht onderbouwd en de antroposofen als bliksemafleider kwamen misschien iets te goed uit. Een positieve reactie op het noeste corrigerende rekenwerk van @ticobas kon er bij de schrijver van het stuk helaas niet af: die blockte hem op Twitter.

Update 12/3/2015: na Trouw nog eens op deze misser gewezen te hebben (nav een recent artikel dat er op teruggreep), is er nu uiteindelijk alsnog een correctie geplaatst.

 

 

Filed Under: Algemeen, Factchecking, Gezondheid Tagged With: antroposofen, basisschool, canard, gerefomeerden, inenting, mazelen, refobolwerken, statistiek, steinersteden, Trouw, vaccinatie

Verzekerde zorgkosten van patiënten bij alternatieve huisarts

5 March 2014 by Pepijn van Erp 37 Comments

In een recent artikel stellen Peter Kooreman en Erik Baars dat de zorgkosten van de patiënten van complementaire huisartsen die gedekt worden door de basisverzekering substantieel lager zijn dan die van sociaal-economisch vergelijkbare patiënten met een reguliere huisarts. Dat deden ze eerder al op basis van een kleiner bestand van een andere zorgverzekeraar. Toen beweerden ze ook dat ze aanwijzingen hadden gevonden dat patiënten bij complementaire huisartsen langer zouden leven. Op dat onderzoek kwam veel kritiek en dit nieuwe onderzoek lijkt niet veel beter.

[update geplaatst op 4-9-2014]

Anderhalf miljoen patiënten

Professor dr. Peter Kooreman, hoogleraar gezondheidseconomie aan de Universiteit van Tilburg, en dr. Erik Baars, lector antroposofische gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden en senior onderzoeker bij het Louis Bolk Instituut, hebben wederom een database van een zorgverzekeraar mogen doorpluizen op zoek naar kostenverschillen tussen patiënten die een reguliere huisarts hebben of bij een huisarts zitten die aangesloten is bij een van de beroepsverenigingen voor alternatieve zorg. Hun bevindingen hebben ze opgeschreven in Complementair werkende huisartsen en de kosten van zorg (Economische Statistische Berichten, 7 feb. 2014). Dit onderzoek van Kooreman en Baars (K&B) is een vervolg op de eerder door hun uitgevoerde analyse op een kleiner bestand. Die studie verscheen in het gezaghebbende European Journal of Health Economics en heb ik vorig jaar besproken in Alternatieve huisartsen werken 15 procent goedkoper? Een verzinsel.

prof. dr. Peter Kooreman
prof. dr. Peter Kooreman

Nu konden K&B de gegevens van maar liefst 1,5 miljoen patiënten analyseren; tien keer zoveel als de vorige keer. Dat lijkt een stuk indrukwekkender dan het is. Het (ongecorrigeerde) verschil in de vorige studie was 7 procent in het voordeel van de complementaire groep, maar niet significant (blijkbaar is de spreiding enorm). Nu vinden K&B 10,1 procent lagere kosten en of dat significant is, staat eigenlijk niet in het artikel. Het lijkt erop dat K&B alleen geïnteresseerd zijn in significante verschillen in subgroepen. Bij dat zoeken naar significante verschillen, lijken ze echter niet veel zorgvuldigheid te betrachten. Merkwaardig, omdat daar eerder stevige kritiek op kwam (van Sampson et al.), zoals ik in mijn vorige blog heb beschreven.
Een belangrijke beperking van beide studies is dat het alleen gaat om de kosten die vergoed werden door de zorgverzekeraar. Hoe hoog de niet vergoede kosten waren, is niet bekend. In de meeste aanvullende verzekeringen zit een maximum aan gedekte kosten voor complementaire zorg. Hoeveel van de verzekerden haalden dat maximum en betaalden vervolgens de rest van de complementaire behandelingen uit eigen zak? De aanspraak op de aanvullende verzekering door de  complementaire groep is aanzienlijk hoger dan die van de reguliere groep en waarschijnlijk gingen er dan ook meer over dat maximum heen. Dus kan dit zeker een rol spelen bij het beantwoorden van de vraag hoe het zit met de totale zorgkosten, niet alleen die van de zorgverzekeraars.

Gezondheidsindicatoren

Sampson en zijn co-auteurs merkten in hun kritiek op de eerdere studie ook al op dat de enige uitkomstindicator in de studie die aan gezondheid gerelateerd is, namelijk sterfte, een ongelukkige is om de populaties van huisartsen te vergelijken. Het door K&B gevonden verschil bleek bij een statistische analyse die meer geschikt is, overigens niet significant. In de huidige studie is dat weer niet het geval, toch spreken K&B eerst weer van “lichte aanwijzingen voor lagere sterfte onder patiënten met een complementair werkende huisarts op basis van een lineair kansmodel en een conditioneel logitmodel” om dan pas met de conclusie van een wel geschikte analyse te komen: “maar geen aanwijzingen voor verschillen in sterfte op basis van een proportional hazard-model.” Een beetje raar, het lijkt erop dat K&B toch even graag die ‘lichte aanwijzingen’ genoemd wilden hebben, hoewel het betekenisloos is.

Over de correctie op socioeconomische verschillen

dr. Erik Baars
dr. Erik Baars

Bekend is dat de belangstelling voor CAM (Complementary and Alternative Medicine) vaak samengaat met een hoger opleidingsniveau en een in het algemeen hogere socioeconomische status, precies de parameters die ook statistisch gesproken samengaan met minder ziekte en een langer leven. De kracht van de eerdere studie was nu net dat er redelijk gecorrigeerd kon worden voor deze verschillen, omdat toen gegevens op postcode-6 niveau beschikbaar waren.
K&B merken zelf op over het belang daarvan: “However, since socio-economic differences within a 4-digit postal code are typically large, this would not be a credible approach for identifying a causal effect of CAM on costs.” In deze grotere database waren de gegevens slechts tot op postcode-4 niveau beschikbaar.
Of de socioeconomische verschillen het verschil in kosten kunnen verklaren, diepen K&B niet verder uit. Ze geven echter wel argumenten die het in twijfel lijken te trekken, bijvoorbeeld door te suggereren dat je in de CAM-groep ook hogere ziektekosten zou kunnen verwachten: “Ander onderzoek laat echter zien dat bij complementair werkende artsen relatief veel patiënten met ernstige en chronische ziektes voorkomen (Melchart et al., 2005)” Deze observatie uit Zwitserland is echter gebaseerd op de inschatting van de betrokken huisartsen en patiënten zelf (zie Schlussbericht PEK, April 2005, blz 37) en het verschil kan goed veroorzaakt zijn door bias. Dat blijkt ook uit een ander onderzoek (pdf) in het kader van die Zwitserse PEK dat Kooreman en Baars niet noemen. Daarin staat onder andere:

An important finding in this context is that CAM patients rated their main health problems as more severe than did COM patients, although general health assessments were not different between patient groups. Our data therefore provide some evidence that individual morbidity is not directly associated with overall selfrated assessment of health. The differing perceptions of severity of illness may primarily be linked to different frequencies of major symptoms in the three patient populations of the study, but also may be related to different adjustments and coping strategies with disease in patients seeking COM or CAM.

en

Furthermore, CAM patients see their main health problems as more severe than COM patients, although self-perceived general health levels appear to be equal.

Ook hier ontkom ik niet aan de indruk dat K&B naar een vooraf gewenste uitkomst toe redeneren. Dat vond ook Marc Pomp, consultant gezondheidseconomie, die een reactie in ESB schreef:

Nog los van de vraag of de Zwitserse situatie van toepassing is op Nederland, zijn er allerlei andere potentiële verschillen tussen patiënten met een alternatieve huisarts en patiënten met een reguliere huisarts. De claim waarmee het artikel opent – dat de zorgkosten bij vergelijkbare patiënten van alternatieve huisartsen lager zijn – wordt daarom op geen enkele manier ondersteund door de schattingsresultaten.

K&B reageerden hier weer op en delen en passant een sneer uit naar de kritiek op hun eerdere studie:

Ook nadat gecorrigeerd is voor achtergrondkenmerken, voor zover de beschikbare data dat toelaten, zijn die verschillen zo groot en significant dat ze niet zomaar kunnen worden genegeerd. Natuurlijk is ook in dit onderzoek het scheiden van oorzakelijke effecten (dat wil zeggen de effecten van het doen en laten van de huisarts) en selectie-effecten een uitdaging. Wij zijn ons daarvan zeer bewust en hebben dan ook nergens beweerd dat de gevonden kostenverschillen een zuiver causaal verband weergeven. Integendeel, wij hebben telkens benadrukt dat voor het scheiden van selectie- en oorzakelijke effecten rijkere datasets en nieuwe onderzoeksdesigns nodig zijn. De reactie van Pomp snijdt dan ook geen hout, net als het door hem geciteerde commentaar van Sampson et al. (Kooreman en Baars, 2013). Hetzelfde geldt voor commentaar dat, zonder peer review en zonder wederhoor, op websites is geplaatst.

Helaas staan deze commentaren niet vrij toegankelijk op de site van ESB. Mijn blog was dan wel niet peer reviewed, maar aan wederhoor heb ik wel degelijk gedaan. Juist het gebrek aan bereidheid om in te gaan op mijn vragen vond ik toen bijzonder storend. De cijfers zoals ze gepresenteerd worden, zijn niet controleerbaar en toen ik er om vroeg kreeg ik de achterliggende aantallen per cel, p-waardes en meer van dat soort informatie, niet.

De 0 tot 30 procent uit de vorige studie

Een belangrijk punt in mijn vorige blog was dat de resultaten misleidend weergegeven waren. In krantenberichten stond dat complementaire huisartsen 15 procent goedkoper waren, gebaseerd op een persbericht van de UvT. In het uiteindelijk gepubliceerde artikel werd dat gemaskeerd als dat ze “kostenverschillen vonden, afhankelijk van het type complementaire huisarts en de leeftijdscategorie van de patiënt, die variëren tussen 0 en 30 procent.” In het persbericht van de UvT dat nu uitging staat hierover dat daaruit eerder de ‘te weinig genuanceerde weergave’ van ongeveer 15 procent lagere kosten was gedestilleerd. In feite is het nog minder genuanceerd, zoals ik heb laten zien: de werkelijk gevonden verschillen (voor wat ze statistische gezien waard zijn) lopen uiteen van -47% tot 30%,  wat natuurlijk een heel ander beeld geeft. In een kader bij hun ESB artikel geven K&B echter wederom doodleuk het interval 0 tot 30 procent als resultaat van die eerdere studie.

De overstappers

De meest interessante groep laten K&B vrijwel buiten hun analyses. Een grote groep patiënten wisselde minstens een keer van reguliere naar complementaire huisarts (of andersom). In hun modelberekening wordt deze groep er helemaal uit gelaten, terwijl die toch groot is ten opzichte van de groep ‘zuivere’ CAM-patiënten. Alleen een ruwe vergelijking wordt gegeven:

Tabel 1 uit het artikel van Kooreman en Baars (ESB, 7-2-2014)
Tabel 1 uit het artikel van Kooreman en Baars (ESB, 7-2-2014)

Een voor de hand liggende vraag is bijvoorbeeld of er een relatie te ontdekken is tussen de zorgkosten van deze patiënten en het type huisarts dat ze op een bepaald moment hadden. Wellicht dat patiënten zich vertrouwd voelen bij een CAM huisarts zolang hun klachten niet heel ernstig zijn, maar switchen naar de reguliere zorg als ze serieuze gezondheidsproblemen ondervinden. Aangezien deze groep de hoogste zorgkosten heeft en ruim de helft van het aantal ‘zuivere’ CAM patiënten beslaat, is deze mogelijkheid niet zomaar te negeren. Maar misschien komen K&B later nog wel met dit soort analyses.

Conclusie

Kritiek krijgen vinden Kooreman en Baars blijkbaar niet zo leuk. Ze reageren daar overdreven geïrriteerd op, zonder echt in te gaan op de kritiekpunten. Dit onderzoek betekent in feite een forse stap terug op de weg naar de conclusie die K&B graag zouden trekken, nl. dat CAM-artsen minstens zo goede zorg leveren en dat ook nog tegen lagere kosten. Over de gezondheidseffecten van het verschil in type zorg kunnen ze niets zeggen en wat de kosteneffectiviteit betreft ook niet veel. Voor de overheid is er nu dus eerder nog minder reden om onderzoek naar CAM te faciliteren.


Update 4 september 2014

Het is Kooreman en Baars deze keer ook weer gelukt om hun onderzoek in een internationaal goed gelezen wetenschappelijk tijdschrift geplaatst te krijgen. Het verscheen vorige week in BMJ Open onder de titel A 6-year comparative economic evaluation of healthcare costs and mortality rates of Dutch patients from conventional and CAM GPs. Het bevat niet veel meer informatie dan de wat leesbaardere versie in ESB. Wat wel opvalt is dat er nu een analyse van ‘de overstappers’ is toegevoegd. Je zou misschien denken dat dat komt, omdat ik hierboven opschreef dat zo’n analyse heel interessant zou kunnen zijn, maar het komt eigenlijk omdat één van de reviewers er om vroeg (de review history is ook vrij beschikbaar en wel interessant leesvoer).
De belangrijkste conclusie uit die analyse van de overstappers is volgens K&B: “After correction for observed differences between the groups by means of linear regression analyses, switching from a CON to a CAM GP results in 34 Euros lower costs (not significant: p = 0.83) and switching from a CAM to a CON GP results in 360 Euros higher costs (p < 0.079).” Kun je daar iets mee? Je zou kunnen bedenken dat die patiënten na de overstap naar een reguliere huisarts eindelijk de serieuze zorg kregen die ze nodig hadden, maar een andere verklaring is natuurlijk ook mogelijk. Blijft giswerk zonder extra informatie.

Er schoot me nog wel een mogelijke verklaring voor het aanzienlijke verschil in totale kosten voor de verzekeraar te binnen (als we er even van uitgaan dat die met een betere analysemethode ook overeind zou blijven). Nienhuys en Renckens viel het bij de eerder studie al op dat de kosten in sommige categorieën veel lager waren,  maar dat het toch maar net significant was. Als mogelijke verklaring wezen ze op uitschieters. Die zou je het beste kunnen zoeken in de ziekenhuiskosten, omdat die verreweg het grootste deel van het verschil veroorzaken. Het lijkt me nu niet onredelijk te veronderstellen dat er een relatief kleine groep patiënten met ernstige (chronische) aandoeningen is, die een flink deel van de kosten ‘veroorzaakt’. Denk aan oncologie, dialyse. Die patiënten danken hun voortbestaan in belangrijke mate aan reguliere zorg die berust op moderne ontwikkelingen in de medische wetenschap. Het zijn ook vaak patiënten die goed voorgelicht worden en zichzelf informeren over hun ziekte. Zouden die patiënten zich eerder thuisvoelen bij een alternatieve of bij een reguliere huisarts? Ik zou daarom wel eens een grafiekje willen zien van de verdeling van de gemiddelde kosten per patiënt uit de verschillende groepen. Grote kans dat die een heel verschillende verdeling laat zien, met een ‘vette staart’ bij de regulieren.
Een zelfde gedachte gaat op voor de verschillen in kosten voor geneesmiddelen. Zouden er bijvoorbeeld veel hemofiliepatiënten (die zeer dure bloedstollingsmiddelen nodig hebben) bij een antroposofische huisarts dokteren? Ik hoop het niet, want de antroposofische ideeën over bloed zijn uiterst merkwaardig.

Filed Under: Gezondheid, Wetenschap Tagged With: alternatieve behandelwijzen, cam, Economische Statistische Berichten, Erik Baars, huisartsen, kosteneffectiviteit, Peter Kooreman, statistiek, zorgkosten

  • « Go to Previous Page
  • Page 1
  • Interim pages omitted …
  • Page 39
  • Page 40
  • Page 41
  • Page 42
  • Page 43
  • Interim pages omitted …
  • Page 81
  • Go to Next Page »

Primary Sidebar

Steun ons via:
Een aankoopbol.com Partner (meer info)
Of een donatie

Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Skeptic RSS feed

  • Error
  • Error
  • SBM

RSS Error: WP HTTP Error: cURL error 7: Failed to connect to skepsis.nl port 443 after 14 ms: Connection refused

RSS Error: A feed could not be found at `https://skepp.be/feed`; the status code is `404` and content-type is `text/html; charset=UTF-8`

Dr. Marty Makary Was Paid $130,357 By Pharma.  Is His “Undue Influence” Affecting the FDA?
9 January 2026 - Jonathan Howard

Can a pharma shill doctor call other doctors pharma shills? The post Dr. Marty Makary Was Paid $130,357 By Pharma.  Is His “Undue Influence” Affecting the FDA? first appeared on Science-Based Medicine. [...]

RFK Jr. Decimates Vaccine Schedule
7 January 2026 - Steven Novella

As we have been warning for months that he would do, HHS Secretary Robert F. Kennedy, Jr. is coming to take away your vaccines. His opening gambit is to remake our system in the image of Denmark, but he won't stop there. The post RFK Jr. Decimates Vaccine Schedule first appeared on Science-Based Medicine. [...]

Revisiting the question of debating science deniers
5 January 2026 - David Gorski

Wealthy tech bro turned antivax crank Steve Kirsch attacked Paul Offit for refusing to debate antivaxxers, while Dr. Mike was "surrounded" by MAHA stans. These recent events led me to revisit the question: Is it ever a good strategy to publicly debate cranks? The post Revisiting the question of debating science deniers first appeared on Science-Based Medicine. [...]

Recente reacties

  • Klaas van Dijk
    on De linke weekendbijlage (2-2026)
    Morgen is er dan eindelijk een rechtzaak tegen de zelfbenoemde dominee Pieter Kuit van BPOC2020. Er ligt in ieder geval
  • Hans1263
    on Artsencollectief geeft podium aan kankerkwakzalver William Makis op hun quackfest
    @Klaas van Dijk Bij mij komt in dit kader het woord "omerta" op, inclusief de u vast wel bekende connotatie
  • Klaas van Dijk
    on Artsencollectief geeft podium aan kankerkwakzalver William Makis op hun quackfest
    @Hans1263, ik durf niet te voorspellen wat de vervolgstappen van het Radboud UMC zullen zijn. Wel staat vast dat hun
  • Renate1
    on De linke weekendbijlage (2-2026)
    Tja, Grok werkt met AI en dat wil wel eens mis gaan. Ik vind bij het AI overzicht over mezelf
  • Hans1263
    on De linke weekendbijlage (1-2026)
    @Renate1 Hordes mensen die niet zelf in staat zijn hun problemen op te lossen en zich laten bedonderen door deze

Archief Kloptdatwel.nl

Copyright © 2026 · Metro Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in