Deze voordracht gaf Samantha Stein tijdens het World Skeptics Congress 2012 in Berlijn.
Engaging Children in Science
Onze skeptische zuiderburen organiseren in vervolg op de succesvol verlopen reeks denkgelagen in 2012 wederom een ‘ongedwongen gespreksavond over sceptische en wetenschappelijke onderwerpen, bij pot en pint, met een schare boeiende sprekers en het publiek als centrale gast.’ Ditmaal met zeker niet de minste sprekers!
Kan de wetenschap alles verklaren? Kan wetenschap zonder filosofie? Is wetenschap de enige bron om kennis te vergaren? Wat is het nut van filosofie in de wetenschap? Maar we gaan onderwerpen zoals het bestaan van de vrije wil of het bewustzijn ook niet uit de weg.
![]() |
Daniel Dennett:Daniel Dennett (°1942) kan beschouwd worden als de bekendste hedendaagse filosoof. Hij houdt zich bezig met vraagstukken betreffende het bewustzijn, de filosofie van de geest en kunstmatige intelligentie. Hij doceert aan de Tufts University nabij Boston en heeft sinds de uitzending van de VPRO-serie Een Schitterend Ongeluk ook in Nederland en Vlaanderen bekendheid gekregen. Daniel Dennett stond tot vier maal toe op TED. Zijn laatste boek “Intuition Pumps and Other Tools for Thinking” kreeg tal van lovende recensies in oa. De NY Times, The Guardian en de Nederlandse vertaling van het boek verschijnt op 6 oktober 2013. |
![]() |
Lawrence Krauss:Lawrence Maxwell Krauss (°1954) is een internationaal befaamd natuurkundige en bestsellerauteur. Hij is professor natuurkunde en directeur van het Origins project aan de Arizona State University. In zijn boeken tracht hij prikkelende, onthullende antwoorden te geven op de meest fundamentele vragen. Waar komt ons heelal vandaan? Waarom is er iets in plaats van niets? En hoe zal het allemaal aflopen? Hij wordt alom geprezen voor zijn bevattelijke en aanstekelijke manier van communiceren. Binnenkort verschijnt een grootsopgezette documentaire waarin Lawrence Krauss en Richard Dawkins gevolgd worden terwijl ze de wereld rond trekken om te praten over wetenschap en rede. De première is gepland op het Hot Docs International Film Festival in Toronto in april 2013. Een aantal beroemdheden waaronder Woody Allen, Cameron Diaz, Ricky Gervais, Ian McEwan en Stephen Hawking. Lawrence Krauss is er ten stelligste van overtuigd dat wetenschap (nagenoeg) alles kan verklaren en dat niets buiten haar blikveld valt, ook niet de moraliteit, vrije wil of andere filosofische vragen. |
![]() |
Massimo Pigliucci:Massimo Pigliucci (°1954) is professor filosofie aan de City University of New York en auteur van een tiental boeken over evolutie, scepticisme en ecologie. Pigliucci is een doorgewinterde scepticus en uitgesproken criticus van pseudowetenschap en religie, maar hij waarschuwt voor de gevaren van “sciëntisme”, de opvatting dat wetenschap alles kan verklaren en de enige vorm van kennis uitmaakt. Hij stoort zich aan de neerbuigende houding van sommige wetenschappers tegenover filosofische problemen, en houdt vol dat wetenschap en filosofie elkaar nodig hebben. |
Meer informatie op de website van het Denkgelag of op de Facebook-pagina of meteen naar de ticket-verkoop.
Het Voynich-manuscript is een handgeschreven middeleeuwse tekst, geïllustreerd met afbeeldingen van ondere andere planten en astronomische objecten. Het manuscript lijkt voor een belangrijk deel te gaan over recepten met kruiden, hun bereidingswijzen en toepassingen. Lijkt, want de enige aanwijzing daarvoor ligt in die afbeeldingen. De tekst is namelijk tot op heden een onkraakbare puzzel gebleken. Talloze wetenschappers en cryptografen hebben er iets van proberen te maken, maar tevergeefs. De mogelijkheid dat het hele werk een hoax is, werd steeds meer als waarschijnlijk aangenomen. Een maand geleden kwamen onderzoekers van de universiteit van Manchester echter met de resultaten van hun analyse van het intrigerende document: er zijn duidelijk aanwijzingen dat het geen willekeurige verzameling onzinwoorden en zinnen is en dat er dus wel degelijk een boodschap in de tekst verstopt kan zitten. Niet iedereen is echter overtuigd dat die conclusie getrokken kan worden.

Kunsttaal …
Zelfs met een lekenoog valt het op dat de teksten in het Voynich-manuscript veel weg hebben van een echte taal. Er zijn woorden en zinnen van verschillende lengte, korte woordjes lijken vaker voor te komen dan lange en meer van dat soort kenmerken. Het is zeker niet uitgesloten dat hem om een kunsttaal zou gaan, zoiets als Esperanto, maar dan zonder enige relatie met bekende talen. Maar waarom zou iemand in de 15de eeuw die moeite doen voor één zo’n manuscript? Er is immers geen enkel ander document bekend dat in dezelfde ‘taal’ is geschreven. De geschiedenis van het manuscript laat echter zien dat er in de loop van de tijd door verschillende mensen toch behoorlijke bedragen voor zijn betaald om er eigenaar van te worden. Het is genoemd naar Wilfred Voynich die het document in 1912 kocht. De moeite die het gekost moet hebben om het te vervaardigen, kan best een lucratieve bezigheid zijn geweest. Het manuscript is nu eigendom van de Beinecke Rare Book and Manuscript Library of Yale University en kan in zijn geheel online worden ingezien.

In hun recente artikel ‘Keywords and Co-Occurrence Patterns in the Voynich Manuscript: An Information-Theoretic Analysis‘ leggen auteurs Marcelo Montemurro en Damián Zanette (natuurkundigen) uit hoe ze hun analyse hebben uitgevoerd. In het kort komt het er op neer dat je heel precies kijkt naar de verdeling van woorden over de tekst en de onderlinge samenhang. Korte, niet zoveel betekenis hebbende woordjes (als lidwoorden, voorvoegsels e.d.) zullen regelmatig verspreid over de tekst voorkomen, maar woorden met ‘hoge informatiedichtheid’ zullen minder vaak optreden en meestal meer geconcentreerd, binnen een hoofdstuk bijvoorbeeld. De techniek was al gebruikt voor andere teksten en lijkt zinvolle resultaten te geven. In Darwins On the Origin of Species, werden bijvoorbeeld als belangrijkste woorden species,varieties, hybrids, forms en genera aangewezen. De woorden die in het Voynich manuscript als belangrijkste worden gevonden, lijken vaak specifiek bij de verschillende secties van het manuscript terug te vinden te zijn. Het lijkt er dus op dat de verschillende secties over verschillende onderwerpen gaan en dat wijst dus toch op een betekenis in de tekst. Want hoe zou een vervalser in de 15de eeuw met deze geavanceerde analysetechnieken rekening hebben kunnen houden?
… of hoax?
De conclusie van Montemurra en Zanette kreeg meteen stevige kritiek van Gordon Rugg, een onderzoeker die juist de theorie verdedigt dat het manuscript een hoax is. Op zijn weblog heeft hij inmiddels een aantal artikelen geplaatst waarin hij uiteenzet wat er niet aan het verhaal van de onderzoekers uit Manchester klopt. De belangrijkste kritiek komt er op neer dat ze te weinig kennis hebben genomen van wat er al eerder aan onderzoek is gedaan naar het manuscript en dat het feit dat de tekst geen willekeurige reeks woorden lijkt te zijn, niet automatisch hoeft te betekenen dat het dan ook een echte boodschap bevat. Rugg had nu juist laten zien dat met de methode die hij suggereert voor de vervaardiging van zo’n tekst, die eigenschappen als het ware vanzelf optreden.
De methode die Rugg geeft is inderdaad bijna een automatisch proces, er is weinig betekenisvols aan. Je start met een rooster gevuld met zelfverzonnen ‘lettergrepen’. Over dat rooster schuif je een mal en de vakjes die niet afgedekt zijn, vormen telkens je volgende woord. Je kunt nu variëren met diverse mallen en roosters. De vakjes moeten wel een bepaalde verdeling hebben. In de middeleeuwen was de cryptografische kennis wel zo ver dat ze kennis hadden van de meest basale statistische kenmerken van teksten. Dat talen een specifieke verdeling van letters hadden en dat woordlengte op een bepaalde manier varieert, is niet zo lastig te verwerken in zo’n rooster. De hoaxer moet er wel op letten om zijn mal niet op een systematische manier over zijn rooster te schuiven, anders ontstaan er alsnog duidelijke patronen die kunstmatig aandoen.

Bij geheimschriften werden in die tijd dit soort roosters wel gebruikt, dus dat maakt het gebruik ervan bij het vervaardigen van zo’n tekst niet geheel onwaarschijnlijk. Het is wel lastig om er voor te zorgen dat de roosters volstrekt willekeurig worden ingevuld, zeker als je als middeleeuwer nog helemaal niet op de hoogte was van zoiets als ‘true randomness’. Bij het wisselen van rooster verwacht je dan eigenlijk ook wel een verschil in de verdeling van de lettergrepen te kunnen zien. En dat blijkt zo te zijn in het Voynich-manuscript. Veel gebruikte lettergrepen komen door het document heen in verschillende blokken van dichtheid voor. Die toch niet zo willekeurige verdeling vertaalt zich ook in het vaker voorkomen van langere combinaties van die lettergrepen in bepaalde stukken tekst. Rugg stelt dat de effecten die Montemurro en Zanette vinden en toewijzen aan verschillende besproken onderwerpen in de tekst, in feite kunnen wijzen op het gebruik van die verschillende roosters zonder betekenisvolle inhoud. Hij schat dat de hoaxer tussen de zes en tien verschillende roosters heeft gebruikt.
De controverse kan beslecht worden door met de methode van Rugg langere stukken tekst te maken en dan te kijken met de methode van Montemurra en Zanette of je inderdaad hetzelfde soort ‘betekenisvolle’ woorden vindt. Een ander argument dat Rugg noemt, dat erop duidt dat het om een hoax gaat, is het feit dat er geen verbeteringen in de tekst zijn te vinden. Dat is merkwaardig als het om een echte taal zou gaan. Bij het schrijven van zoveel tekst, maakt iedereen wel eens een fout en in andere handschriften tref je die volop aan, vaak verbeterd. Een hoaxer zal echter niet zoveel reden hebben om een fout overgeschreven lettergrepencombinatie van zo’n mal te verbeteren, dat verandert immers niets aan de inhoud die er toch al niet inzat.
Links:
Vorig jaar werd de wereld opgeschrikt door een studie waaruit zou blijken dat ratten die op een dieet waren gezet van genetisch gemodificeerde (GM) maïs gigantische tumoren ontwikkelden. De bijgeleverde foto’s van ratten met lijfjes waar bulten ter grootte van pingpongballen aan alle kanten uitstaken, spraken boekdelen. Hartstikke fout spul die GM-maïs, had de Franse onderzoeker Séralini dus aangetoond. Maar de ratten die ‘normaal’ te eten kregen, waren er niet veel beter aan toe. De gebruikte rattensoort staat bekend om het ontwikkelen van dergelijke kankers. Inmiddels is die studie van alle kanten afgeschoten als prutswerk en het feit dat Séralini zijn data niet wil vrijgeven, zegt misschien ook wel genoeg. Een soortgelijke studie verscheen op 11 juni jl., nu waren varkens de klos. Na 23 weken wegkauwen van GM-voer, waren hun magen duidelijk meer ontstoken dan die van hun meer fortuinlijke soortgenoten die gewoon voer kregen. Hoewel het resultaat met iets minder schokkende foto’s werd geïllustreerd, ging het nieuws weer als een lopend vuurtje het internet over. Ook nu kwam de kritiek snel op gang en die is net zo vernietigend. Anti-GM-activisten zullen er voorlopig echter nog wel mee blijven rondzwaaien, zoals ze ook doen met het onderzoek van Séralini.

De Australische en Amerikaanse onderzoekers voerden 84 varkens GM-soja en -maïs en 84 andere varkens ‘normaal’ voedsel. Na vijf maanden werden ze geslacht en onderzocht door dierenartsen die niet wisten wat welk varken had gegeten. Geen verschillen werden gevonden voor voedselinname, gewichtstoename, bloedwaarden en sterfte. Wel bleek dat van de varkens op het GM-dieet maar liefst 32% een hevige ontsteking van de maag had, tegen maar 12% in de controlegroep. Een plaatje maakt het duidelijker (zie rechts).
Er is van alles mis met dit onderzoek. Dat varieert van het niet vooraf bepalen waar de onderzoekers naar zouden kijken tot het niet vermelden dat ze zelf behoorlijke belangen hebben in de biologische veehouderij. Op de website rbutr.com kun je nu al 26 links vinden naar blogs en andere artikelen die stuk voor stuk het onderzoek van Carman en haar collega’s onderuit halen. Het is teveel om hier allemaal te herhalen, maar het belangrijkste is misschien wel dat het gevonden ‘significante’ verschil hoogstwaarschijnlijk een toevalstreffer is. Alleen al omdat ze meer dan veertig zaken onderzochten, was het te verwachten dat minstens twee van die tests iets zouden opleveren met een p-waarde kleiner dan 0,05 ook als het verschil in voer niets uitmaakt. Er werd ook gevonden dat in de GM-vrije groep een stofje verhoogd was dat zou kunnen duiden op problemen met de lever, maar daar hoor je de auteurs niet over. Er zijn wel methoden om je tegen dit soort ‘cherry picking’ te beschermen, maar eigenlijk moet je van te voren gewoon goed beschrijven hoe je de statistische analyse gaat aanpakken.
Nu had het verschil in die maagonstekingsgraad wel een behoorlijk lagere p-waarde dan die standaardgrens van 0,05 namelijk 0,0044. Misschien is er dan toch iets aan de hand? Nou, zelfs als je ervan uit zou gaan dat de onderzoekers vooraf hadden bedacht dat dit de belangrijkste uitkomstwaarde zou zijn, blijkt het allemaal erg mee te vallen als je de statistiek goed doet. Want ook daar maken de onderzoekers een potje van.
De volgende tabel geeft het resultaat weer van beoordeling door de dierenartsen van de varkensmagen. Die hadden eerst een indeling in vier categorieën bepaald in een ander onderzoek en die hier blind toegepast.
| GM-vrij voer | GM-voer | |
|---|---|---|
| geen ontsteking | 4 | 8 |
| lichte ontsteking | 31 | 23 |
| middelmatige ontsteking | 29 | 18 |
| ernstige ontsteking | 9 | 23 |
Het totaal aantal varkens is wat lager dan eerder opgemerkt, 73 en 72 tegen 84 waarmee beide groepen startten. Er waren er namelijk al een stel gestorven voordat het einde van de testperiode bereikt was. Die sterfte is niet raar, maar wel meer dan je normaal gesproken kunt verwachten in een varkenshouderij. En dat roept ook weer vragen op. Maar nu even terug naar de statistiek. De onderzoekers vonden het verschil bij de ‘ernstige ontsteking’ toch wel opvallend. Ze gooiden nu al andere categorieën op een hoopje en kregen de volgende tabel:
| GM-vrij voer | GM-voer | |
|---|---|---|
| geen ernstige ontsteking | 64 | 49 |
| ernstige ontsteking | 9 | 23 |
Een significant verschil als je een Chi-kwadraattoets gebruikt (p=0,0044), maar diezelfde test had je ook kunnen doen zonder de lichtste categorieën bij elkaar te nemen. De p-waarde is dan iets minder indrukwekkend (p=0,011). Nog steeds significant als het de enige uitkomstwaarde van het onderzoek was geweest, maar met al die andere tests erbij, wordt het wat dubieus of we mogen spreken van een ‘verrassing’. Je zou natuurlijk ook ‘geen’ en ‘licht’ bij elkaar kunnen nemen en vergelijken met ‘middelmatig’ en ‘ernstig’; dan komt er niets bijzonders uit. Het heeft allemaal wat willekeurigs.
Het bijelkaar vegen van die categorieën heeft ook een ander bezwaar: het zijn categorieën die in een verhouding staan, het zijn meer dan labeltjes. Door de categorieën samen te voegen, gooi je informatie weg. Als je bijvoorbeeld in de eerste tabel de eerste en derde rij zou verwisselen, zie je een veel sterker verband tussen GM-voer en ontsteking; voor de in elkaar geschoven tabel maakt het echter niets uit. Een test (Wilcoxon) die er wel rekening meehoudt dat de categorie ‘licht’ een lagere ontstekingswaarde inhoudt dan ‘middelmatig’ laat geen significant verschil zien (p=0.281).
Er blijft dus niet zo veel van over, de skeptische statistici ook weer opgelucht. Maar het wordt eigenlijk nog erger als we Dr. Robert Friendship, een specialist op het gebied van de gezondheid van varkens, mogen geloven. Hij stelt dat de onderzoekers überhaupt niet hebben aangetoond dat er sprake was van maagontstekingen:
The researchers did a visual scoring of the colour of the lining of the stomach of pigs at the abattoir and misinterpreted redness to indicate evidence of inflammation. It does not. […] There is no relationship between the colour of the stomach in the dead, bled-out pig at a slaughter plant and inflammation.
De rode kleur zegt in dit geval dus helemaal niets. Ik hoop dat die nu wel heel erg verschijnt op de kaken van Carman en haar companen.
Via de volgende twee links van rbutr zijn de meest interessante blogs over deze kwestie wel te vinden: link1 en link2.
Naar aanleiding van de affaire-Stapel zijn er inmiddels een aantal boeken verschenen. Frank van Kolfschooten voorzag zijn Valse vooruitgang uit 1993 van een waardige opvolger met Ontspoorde wetenschap. Dat boek besprak ik eerder op Kloptdatwel. Diederik Stapel kwam zelf met zijn Ontsporing. Dat vond niet iedereen even kies. Zeer korte tijd na uitkomen ging er al een illegale kopie rond op het internet. Die fraudeur mocht er zeker geen geld aan overhouden. Het meest recente ‘Stapel’-boek is De publicatiefabriek van Ruud Abma. Er is op veel verschillende plekken interessant materiaal te lezen over de fraude van Stapel en de crisis waarin de sociale psychologie lijkt te verkeren en dit boek brengt het belangrijkste daarvan bij elkaar.
Wie de zaak-Stapel goed gevolgd heeft, zal niet zoveel nieuwe feiten ontdekken in De publicatiefabriek, maar Abma brengt het materiaal van andere reconstructies en het rapport-Levelt op een zeer prettige manier samen. Ook het meenemen van discussies die her en der op internetsites werden gevoerd, opinies in wetenschappelijke tijdschriften en aanvullend commentaar van mensen die met Stapel hebben samengewerkt, maken dit de meest complete beschrijving tot nu toe. Volgens mij is er echter nog meer bloot te leggen. Zo ben ik wel nieuwsgierig naar reacties van editors van tijschriften die Stapels artikelen plaatsten en reviewers die er niets vreemds in ontdekten. Het boek van Abma had van mij wel wat meer recherchearbeid mogen laten zien.
Waar Van Kolfschooten de nadruk legt op de procedures die het gevolg zijn van het ontdekken van de fraude, gaat Abma meer in op het wetenschappelijke klimaat waarin dit kon plaatsvinden. Over de precieze manier waarop gefraudeerd wordt, of er minder ernstig vergrijpen plaatsvinden en hoe deze te ontdekken zijn, gaat Abma niet al te diep in. Wie meer wil weten over dubieuze onderzoeksgewoontes als ‘p-hacking’ kan met de aangehaalde bronnen echter goed uit de voeten.
De commissie-Levelt sprak van ‘slodderwetenschap’ binnen de sociale psychologie en Abma belicht dat op een verhelderende manier. Voor hem is de zaak Stapel een symptoom van de toestand van een academische cultuur. Het was voor mij wel enigszins nieuw om te lezen dat de crisis in de sociale psychologie eigenlijk een al jarenlang tikkende tijdbom was. Discussies over de waarde van het soort experimenten dat Stapel uitvoerde, gaan al sinds eind jaren 1960. En dan gaat het niet alleen om de onderzoeken die effecten van ‘priming’ proberen aan te tonen, maar meer algemeen of de testjes in het ‘laboratorium’ van de sociaal psycholoog wel wat zeggen over gedrag in de echte wereld.
Die wezenlijke discussie lijkt door veel onderzoekers alleen met de mond te zijn beleden. Zij gingen intussen gewoon door met het publiceren van onderzoekjes die het vooral goed doen in de media, maar voor theorievorming weinig betekenen. Ieder voor zich. En zo lang je ermee scoort, er vooral mee doorgaan. Misschien dat er daarom weinig kritisch naar elkaars werk werd gekeken. Ideale omstandigheden om met dubieuze praktijken weg te komen. Intussen zijn er binnen de sociale psychologie initiatieven gestart die het tij moeten keren. Meer aandacht voor replicatie van onderzoeken, beter gegevensbeheer en vooral minder individualistisch opereren.
Volgens Abma is een van de belangrijkste problemen van dat falende academische klimaat echter de druk die al dan niet formeel ligt op wetenschappers om maar artikel na artikel te publiceren. Dat wordt mede in de hand gewerkt doordat onderzoeksgelden veelal verdeeld worden op basis van de kwantitatieve gegevens van publicaties: aantal citaties, h-index en impactfactor van tijdschriften. Een zelfstandig inhoudelijk oordeel wordt nauwelijks gegeven. Liever denkt men dat een publicatie in een goed scorend tijdschrift een garantie is voor kwaliteit. Dat is natuurlijk ook een stuk makkelijker ‘sturen’ voor universitaire bureaucratieën.
De publicatiefabriek gaat wel wat specifiek over sociale psychologie. Als je kijkt naar het lijstje met de grootste fraudezaken, zie je daar voornamelijk de exacte en medische wetenschappen vertegenwoordigd. Of je daarvoor dezelfde soort oorzaken (‘slodderwetenschap’) kunt aanwijzen, is maar de vraag. Ook miste ik een bredere onderbouwing van de stelling dat minder publiceren beter zou zijn voor die verschillende wetenschapsgebieden. Van Kolfschooten laat in zijn boek wel gerenommeerde wetenschappers aan het woord, die dat beamen, maar Abma komt eigenlijk niet verder dan die uitlatingen over te nemen.
Bij elkaar genomen vind ik het een aardig boek, dat ik met plezier heb gelezen. Zeker aan te raden voor iedereen die de ins en outs van de affaire-Stapel eens rustig wil nalezen. Stapel zelf heeft intussen plannen om het theater in te gaan; met een programma onder de titel De Fictiefabriek.