• Skip to primary navigation
  • Skip to main content
  • Skip to primary sidebar

Kloptdatwel?

  • Home
  • Onderwerpen
    • (Bij)Geloof
    • Columns
    • Complottheorieën
    • Factchecking
    • Gezondheid
    • Hoax
    • Humor
    • K-d-Weetjes
    • New Age
    • Paranormaal
    • Pseudowetenschap
    • Reclame Code Commissie
    • Skepticisme
    • Skeptics in the Pub
    • Skeptische TV
    • UFO
    • Wetenschap
    • Overig
  • Skeptisch Chatten
  • Werkstuk?
  • Contact
  • Over Kloptdatwel.nl
    • Activiteiten agenda
    • Colofon – (copyright info)
    • Gedragsregels van Kloptdatwel
    • Kloptdatwel in de media
    • Interessante Links
    • Over het Bol.com Partnerprogramma en andere affiliate programma’s.
    • Social media & Twitter
    • Nieuwsbrief
    • Privacybeleid
    • Skeptisch Chatten
      • Skeptisch Chatten (archief 1)
      • Skeptisch Chatten (archief 2)
      • Skeptisch Chatten (archief 3)
      • Skeptisch Chatten (archief 4)

Wetenschap

Remt een groene omgeving kortetermijndenken?

14 November 2013 by Pepijn van Erp 18 Comments

Engels - UK vlag 30x24Wat zou je kiezen? 100 euro nu meteen of 110 euro over drie maanden? Met de lage rentes van de laatste jaren, lijkt het verstandiger om voor het hogere bedrag over drie maanden te gaan. In de praktijk nemen mensen echter vaker het snelle geld. Hoogleraar groeps- en organisatiepsychologie Mark van Vugt en zijn team aan de Vrije Universiteit Amsterdam probeerden uit te vinden of de omgeving waarin je deze vraag stelt, uitmaakt. Van Vugt : “Impulsiviteit en korte termijn denken zijn typisch menselijke eigenschappen. In ons onderzoek keken we of natuur die mechanismen in ons brein kon beïnvloeden.” (persbericht VU, 6 nov. 2013). 

Het onderzoek is gepubliceerd als: Do natural landscapes reduce future discounting in humans? Arianne J. van der Wal, Hannah M. Schade, Lydia Krabbendam, and Mark van Vugt (Proc R Soc B 2013 280: 20132295).

geld-bos-stad-fav-img640x198

Waarom zouden hun bevindingen ons moeten interesseren? De onderzoekers stellen in het persbericht:

Het effect van natuur op menselijk beslisgedrag is van belang bij het aanpakken van problemen zoals afvalproductie, klimaatverandering, en de explosieve bevolkingsgroei. Want juist strategieën en gedrag die zich slechts richten op de korte termijn, veroorzaken de huidige sociale en milieuproblemen. […] Om ervoor te zorgen dat mensen beslissingen nemen die minder schadelijk zijn voor zichzelf, hun omgeving of het milieu, kan de invloed van natuur dus belangrijk zijn. Een groot deel van de wereldbevolking woont in steden. Door manieren te zoeken om mensen in steden toch in contact te brengen met de natuur, kunnen we gedrag ten aanzien van bijvoorbeeld het milieu positief en wellicht structureel veranderen.

Dat zijn nogal grote woorden en ik denk dat die niet echt ondersteund worden door de resultaten van dit onderzoek, dat ziet er toch wat dunnetjes uit. Twee van de drie experimenten zijn ‘priming’-onderzoekjes van het soort dat de laatste paar jaar nogal onder vuur is komen liggen (zeker na de Stapelaffaire). Het grootste probleem dat ik heb met dat soort tests, is dat de onderzoekers denken te weten hoe hun ingreep uitpakt. Vaak wordt er bijvoorbeeld met afbeeldingen gewerkt, die verschillende specifieke effect bij de proefpersonen zouden moeten bewerkstelligen. Maar als je er wat kritischer naar kijkt, kun je die afbeeldingen vaak ook onderscheiden op heel andere kenmerken dan waar het in het onderzoek om zou moeten gaan.
Het derde experiment dat in het artikel beschreven wordt, lijkt daarom interessanter. Dit keer geen plaatjes van bossen als surrogaat voor een natuurervaring, maar de deelnemers werden daadwerkelijk op een wandeling gestuurd door het Amsterdamse Bos. Een andere groep moest het doen met de stedelijk omgeving van de Zuidas. Na vijf minuten wandelen, ontmoetten ze een onderzoeksassistent die ze verschillende taken voorlegde. Het meest in de media beschreven onderdeel heeft veel weg van een spelletje: eerst kregen de deelnemers de vraag waar hun voorkeur naar uitging, 100 euro nu meteen of 110 euro over 90 dagen. De deelnemers die voor de directe 100 euro gingen, kregen de vervolgvraag wat ze zouden kiezen als het latere bod verhoogd werd: 100 euro nu of 120 euro later. En dat werd zo voortgezet totdat het laatste bod op 170 euro lag.
Het idee achter deze opzet is dat mensen die kiezen voor het uitgestelde, maar hogere bedrag in het algemeen ook meer rekening houden met de lange termijn. In vaktermen noem je dit een temporal discounting game en het is veel gebruikt door andere onderzoekers. Maar hier was de uitvoering afwijkend en de onderzoekers hadden daar te weinig oog voor, denk ik. De hypothese was dat de groep die aan het bos werd blootgesteld eerder zou kiezen voor de uitgestelde hogere beloning, omdat … ja, dat is natuurlijk waar dit eigenlijk om zou moeten gaan. De onderzoekers gaan er vanuit (en dat zullen veel mensen ook wel plausibel vinden) dat die blootstelling aan een natuurlijke omgeving je meer bewust zou maken van de gevolgen van je beslissingen ook in de verderweg gelegen toekomst en dat je daarom eerder doordachte beslissingen zal nemen. Of zoals ze dat in het artikel verwoorden: ‘when people are exposed to scenes of natural landscapes their discount rates are lower compared with exposure to urban landscapes’.

De resultaten worden als volgt gegeven:

Confirming Hypothesis 1, participants in the nature versus urban condition showed a significant difference in temporal discounting (F1,41 = 5.41, p = 0.025, part. η2 = 0.12). In the nature condition, the individual indifference point of the participants was lower than that in the urban condition, with Mnature = 122.38 (s.d. = 16.40) and Murban = 135.45 (s.d. = 20.17). On average, we found a 10% reduction in future discounting in the nature condition versus urban condition (figure 3).

En in een grafiek weergegeven:

figure3

Deze presentatie van de cijfers is onnodig ingewikkeld. Waarom niet een eenvoudig tabelletje dat laat zien hoeveel deelnemers er uiteindelijk met welk bedrag vandoor gingen? Gelukkig zijn ook de data van dit onderzoek onder Open Access bij het artikel beschikbaar gesteld en kon ik dat tabelletje zelf maken:

De cijfers achter de grafiek hierboven.
De cijfers achter de grafiek hierboven.

Nu valt meteen iets vreemds op: zo te zien waren er twee deelnemers (uit de stadsgroep) die 180 euro wisten te scoren, maar het laatste bod zou ‘100 euro nu of 170 na 90 dagen’ geweest zijn. Ik vermoed dat het hier om twee slimme deelnemers ging, die doorhadden dat ze telkens een beter bod kregen als ze aan het snelle geld vasthielden (de 100 euro direct uitgekeerd). Het lijkt dan slim om een nog beter bod af te wachten. Helaas kwam het laatste bod met 170 euro eerder dan verwacht en ze grepen naast het hogere bedrag.
De onderzoekers vertellen dat dit ‘spel’ gebruikt is door andere onderzoekers (Wilson & Daily, Kirby et al.), maar die deden dat toch op een essentieel andere manier. In dit experiment was het laagste bedrag telkens 100 euro, terwijl die andere onderzoekers het lage bedrag ook lieten variëren. Een eerste bod van ‘100 euro nu of 110 later’ zou je dan kunnen laten volgen door ’85 euro nu of 102 euro later’. Dan zouden de deelnemers waarschijnlijk niet kunnen bedenken dat ze met wachten (telkens het lage bedrag kiezen) de grootste kans zouden hebben op een hoge opbrengst, zonder risico om lager dan die 100 euro uit te komen. Die ‘zekere’ 100 euro is sowieso al een fors bedrag, waarom dan niet een gokje gewaagd om een echte klapper te maken?
In de berekening van de gemiddelden is de bijdrage van deze twee deelnemers meegenomen als 180 euro, maar dat slaat dus nergens op (misschien een codeerfoutje?). Als je het als een spelletje beschouwt, moet je hun score op 100 euro zetten. En anders weet je gewoon niet op welk moment ze voor het hogere, uitgestelde bedrag waren gegaan; dat het bieden ophield bij 170 euro is tamelijk willekeurig. De gemiddelden hebben daarom ook geen echte betekenis en er conclusies uit trekken, kan volgens mij niet, laat staan er met statistische tests een serieuze vergelijking tussen de twee groepen op baseren. Toch zou je wel wat met de resultaten kunnen doen als je er wat voorzichtiger mee omgaat. Het spelaspect kun je waarschijnlijk wel negeren als je alleen naar de eerste vraag kijkt (‘100 euro nu of 110 euro na 90 dagen’). Dan zie je nog steeds een significant verschil:4 van de 22 deelnemers in de stad kozen voor de uitgestelde beloning tegen 11 van de 21 deelnemers in de natuur (Fisher’s exact test: p=0.02).

Er is echter wel meer aan te merken. Wetenschapsjournalist Elmar Veerman (via wie ik hierop stuitte) schreef een leuk kritisch artikel op Wetenschap24 over dit onderzoek. Hij vraagt zich onder meer af of je niet veel eerder het vertrouwen meet dat de deelnemers hebben in degene die hun het geld aanbied, dan die toekomstgerichtheid. Ook merkt hij op dat het vreemd is dat er geen verschil werd gevonden tussen de deelnemers die opgegroeid waren in stedelijke of natuurlijke omgeving. Het zou dan om een beïnvloeding gaan die maar kort aanhoudt, wat enigszins merkwaardig lijkt als de verklaring van het effect volgens de onderzoekers zou kloppen.
Een ander punt, dat door Van Vugt wel onderkend wordt, is dat de natuurlijke conditie in dit geval wel een heel vriendelijk karakter had. Wat zou het resultaat zijn als je hetzelfde experiment zou uitvoeren met deelnemers die net door de woestijn hebben gelopen, of in een omgeving waar wilde dieren voorkomen? En in hoeverre was het van belang dat het om natuur gaat? Wat als je die deelnemers in een gezellig pittoresk stukje Amsterdam had laten rondwandelen?

Ik heb hier maar naar één van de experimenten in detail gekeken [update 15/11/2013: intussen geconstateerd dat met de data van experiment 1 hetzelfde mis aan de hand is], dus zal ik geen oordeel vellen over het artikel als geheel. Wel is er dus minstens één punt dat opgepakt moet worden door de auteurs, die vergelijking tussen de twee groepen in experiment drie deugt gewoon niet. Op zich heb ik niet zoveel bezwaar tegen dit soort onderzoekjes, maar ik stoor me wel aan de betekenis die toegekend wordt aan de resultaten. De onderzoekers gaan zelf al ver in hun artikel, maar het persbericht van de universiteit is helemaal ‘over the top’. Er wordt veel meer toegeschreven aan het onderzoek dan wat verantwoord is op basis van wat de wetenschappers laten zien. Maar die overtrokken weergave wordt wel gekopieerd door bijna alle media die aandacht geven aan dit onderzoek.

Van Vugt mocht het onderzoek ook in het radioprogramma Labyrint toelichten: ‘Stedelijk impulsiviteit’

Filed Under: Wetenschap Tagged With: Arianne van der Wal, Mark van Vugt, natuur, priming, psychologie, sociaal psychologie, statistiek, Vrije Universiteit

“De grenzen van de wetenschap” – het Denkgelag

9 November 2013 by Pepijn van Erp 10 Comments

Op 17 oktober debatteerden vooraanstaande denkers Daniel Dennet, Massimo Pigliucci en Lawrence Krauss in Gent over ‘De grenzen van de wetenschap’. Dit debat was georganiseerd door Het Denkgelag en hier op Kloptdatwel plaatsten we er eerder een aankondiging voor. Iedereen die daar niet bij kon zijn, kan het debat nu alsnog bekijken. 

Moderator van het debat is overigens Maarten Boudry, die onlangs met Pigliucci het boek ‘Philosophy of Pseudoscience‘ samenstelde.

Het is nogal een zit om de bijna twee uur achter elkaar uit te kijken. Het volgende lijstje met onderwerpen (en de starttijden) die aan de orde komen, kan daarom helpen om meteen naar stukken te springen die je het meest interesseren:

00:00 Introduction
07:07 Limits of Science
19:40  God & the Supernatural
31:20  Science & Morality
50:11  Something out of Nothing
1:03:42  The Value of Philosophy
1:20:59  Cognitive Limits
1:35:43  Questions:
– 1:35:56 Science & Politics
– 1:43:33 The Status of Economics
– 1:48:17 Does Consciousness Exist?

1:55:00 Credits

Filed Under: Algemeen, Wetenschap Tagged With: daniel dennet, FILOSOFIE, het denkgelag, lawrence krauss, maarten boudry, Massimo Pigliucci

Schrijf de minister: registreer alle klinische onderzoeken!

31 October 2013 by Maarten Koller 4 Comments

De website AllTrials.net heeft als doel om alle klinische onderzoeken (op zijn minst) geregistreerd te krijgen en kan daar wel wat hulp bij gebruiken. Daarom riepen ze onlangs iedere EU-burger op een brief te schrijven naar hun respectievelijke minister van Volksgezondheid:

If you live in an EU member state we need your help this week. Will you write to your country’s health minister to ask your Government to support the good progress towards clinical trial transparency in the draft Clinical Trial Regulation in debates in Europe next month.

Thanks to the letters you sent to MEPs last May some very good additions were made to the draft Regulation. These new parts of the law would mean that all clinical trials taking place in Europe would have to be registered and summary results published within a year of its ending. We need to make sure that these additions make it into the final law, and we don’t have much time as the next stage of the process starts in the first week of November.

The next stage is a series of ‘trilogue’ discussions between the European Parliament, Commission and Council. We understand that the European Council hasn’t decided its position yet. The Council is made up of representatives of all of the individual Governments of European countries so your Government’s position is very important. There’s no time to lose – please write to your health minister this week and urge them to support the good additions to the Clinical Trials Regulation.

(Dikgedrukt door auteur)

Hieronder vind je een voorbeeld van een brief die je kan sturen inclusief welke specifieke amendementen je wil dat de overheid steunt. Op de website van het Europees Parlement kan je de amendementen nalezen.

Aan Hare Excellentie, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Mevrouw Drs. E.J. Schippers

Postbus 20350
2500 EJ Den Haag

Onderwerp: Voorstel tot een EU-verordening voor klinisch geneesmiddelenonderzoek (2012/0192, COD)

Geachte mevrouw Schippers,

Met deze brief verzoek ik u en de Nederlandse regering met klem de hieronder genoemde voorgestelde wijzigingen in de Europese wetgeving met betrekking op klinische studies te steunen. De wijzigingsvoorstellen beogen dat de resultaten uit klinische studies beschikbaar gemaakt worden voor onderzoekers en artsen. Slechts 50% van de klinische studies wordt momenteel gepubliceerd – met als gevolg dat artsen en onderzoekers niet weten op wat voor bevindingen ze hun behandelingswijze nu eigenlijk baseren. Een dergelijk gebrek aan kennis kan leiden tot slechte behandelbeslissingen, gemiste kansen op goede medicatie en het onnodig herhalen van onderzoek. Alle klinische testen dienen daarom te worden geregistreerd, en de resultaten moeten bekend gemaakt worden.

De specifieke amendementen die ik u wil verzoeken te steunen betreffen:

Amendement 191, dat inhoudt dat klinische studies moeten worden geregistreerd voor aanvang van de studie;

Amendementen 30 en 250 welke inhouden dat de data in klinische studies niet geacht wordt commercieel vertrouwelijk te zijn. Deze amendementen zorgen ervoor dat commerciële overwegingen nimmer zwaarder wegen dan het belang van publiek gezondheidsonderzoek;

Amendement 193 en 253 welke inhouden dat de resultaten van een klinische proef openbaar worden gemaakt, indien een rapport van deze klinische studie is opgetekend.

Bij voorbaat dank,

[NAAM]
[ADRES]

Klik op deze link voor de brief als Word-document: AllTrials-voorbeeldbrief

 

Filed Under: Buitenland, Kort, Wetenschap Tagged With: alltrials

Natuurgeneeskundigen: ‘Medische wetenschap blijkt kwakzalverij’

28 October 2013 by Pepijn van Erp 402 Comments

Zondagmiddag bij het RTL-programma ‘Life is Beautiful’ kwam vaste gast Erik-Alexander Richter met vrij schokkend nieuws. Het wetenschappelijk hoog aangeschreven British Medical Journal (BMJ) liet zien dat er maar voor twaalf procent van de medicijnen bewijs is dat ze werken. Sterker nog, eigenlijk zou je moeten concluderen dat de rest kwakzalverij is, 88 procent dus! Een opmerkelijk gegeven, dat de laatste weken opeens op diverse Nederlandse websites opdook. Zou het echt zo erg zijn?

Richter geeft hoog op van orthomoleculaire geneeskunde en doet aan anti-aging. Hij heeft een opleiding in de Clinical Psycho Neuro Immunology  gedaan (of volgt die nog steeds). Waarschijnlijk kun je hem als natuurgeneeskundige aanduiden. Hij zei het volgende over de kwestie:

https://www.youtube.com/watch?v=8UyhiW9w29o

Waar komt dit ogenschijnlijk dramatische rapportcijfer voor de reguliere geneeskunde vandaan? De laatste paar weken vond ik al diverse verwijzingen naar een artikel op infonu.nl met als titel Medische wetenschap blijkt kwakzalverij. Dat is zo te zien al in mei geplaatst, maar werd half oktober opeens overgenomen op heel wat sites die alternatieve zorg een warm hart toedragen (misschien na een verwijzing op nu.nl). Het stuk op infonu.nl is geschreven door infoteur ‘Irbis’. Daarachter schuilt Erik Wieffering, een natuurgeneeskundige, die zich in het profiel ‘klinisch psycho neuro endocrinologisch immunoloog’ noemt, wat weer verdacht veel lijkt op de hobby van Richter. Op LinkedIn kun je ook zien dat hij iets met homeopathie en ayurveda doet.

‘Irbis’ geeft de resultaten van BMJ als volgt weer:

Clinical Evidance [sic] Handbook van de British Medical journal Publisher meldt dat van de 2500 meest voorgeschreven medicamenten en behandelingen:

  • 3 procent een groter ongunstig dan gunstig effect scoort.
  • 5 procent waarschijnlijk geen gunstig effect heeft.
  • 8 procent evenveel gunstige als ongunstige effecten heeft (uitruil middelen).
  • 12 procent enig bewijs van gunstig effect scoort.
  • 23 procent een zeer zwak bewijs voor enig gunstig effect laat zien.
  • En, dat van 49 procent totaal niet bekend is wat voor effect het heeft.

Op die weergave valt heel wat af te dingen, maar dat is niet zo makkelijk te controleren voor de achteloze lezer, omdat het infoteurtje de link naar de bron er niet heeft bijgezet. Info.nu ziet er dan wel Wikipedia-achtig uit, maar het is een site waar iedereen artikelen op kan kwakken. Als je er een beetje op rond kijkt, kom je naast artikelen die er heel redelijk uitzien, nogal wat kwakzalverpropaganda tegen.
‘Irbis’ beweert trouwens dat het nog veel erger is en dat die twaalf procent nog eens flink naar beneden bijgesteld moet worden. Hij haalt daarvoor een onderzoek aan van Deense onderzoekers die aannemelijk maken dat veel medische artikelen voor een groot deel geschreven zijn door  ghostwriters in dienst van de farmaceutische industrie (hier de link die ‘Irbis’ ook niet geeft). Die praktijk is ook door Ben Goldacre beschreven in Bad Pharma en is inderdaad niet fraai. Maar om nu maar gelijk te concluderen dat het in al die gevallen om frauduleus onderzoek zou gaan, gaat nogal ver.

Welke tabel ‘Irbis’ precies gebruikt heeft, kan ik niet zo makkelijk nagaan, maar het zal wel een iets minder recente versie zijn van de gegevens uit het volgende taartdiagram:

Stand van bewijs voor 3.000 behandelingen waarvoor gegevens uit RCT's beschikbaar zijn volgens BMJ (27-10-2013)
Stand van bewijs voor 3.000 behandelingen waarvoor gegevens uit RCT’s beschikbaar zijn volgens BMJ (27-10-2013)

Deze staat op de website van Clinical Evidence. Voor een deel klopt het verhaal. BMJ beoordeelt al jarenlang behandelingen op grond van het bewijs dat er voor is. En al jaren ziet dat taartdiagram er ook ongeveer zo uit. BMJ update deze cijfers halfjaarlijks en gebruikt voor de beoordeling evidence from systematic reviews, RCTs, and observational studies where appropriate. Het gaat dus om de hoogste treden in de Evidence Based Medicine piramide. Dat 50 procent in de categrorie Unkown effectiveness valt, lijkt heel erg, maar geeft in feite alleen maar weer dat dergelijk hoog gewaardeerd bewijs niet te vinden is. In veel gevallen is het ook duidelijk waarom dat er niet is en waarom er ook niet naar gezocht zal worden in de vorm van een dubbelblind klinisch onderzoek (RCT). Een chirurgische ingreep als verwijdering van een ontstoken blindedarm bijvoorbeeld is niet onderzocht in een RCT ten opzichte van een nepbehandeling en toch zullen er maar weinig twijfelgevallen zijn of die ingreep ingezet moet worden of niet.
De vertaling van ‘Irbis’ blijkt echter bijzonder krakkemikkig. ‘Likely to be beneficial’ vertalen als ‘een zeer zwak bewijs voor enig gunstig effect laat zien’ is gewoon niet juist. En ‘evenveel gunstige als ongunstige effecten heeft (uitruil middelen)’ is ook niet to the point als vertaling van ‘Trade-off between benefits and harms’. In dat laatste geval kan een arts per individueel geval vaak goed beoordelen of de voordelen groter ingeschat kunnen worden dan de nadelen. Dat is wat anders dan dat de nadelen even groot zijn als de voordelen, maar misschien klopt dat wel voor de hele populatie.

Dit maak al duidelijk dat ‘Irbis’ een heel gekleurde uitleg geeft van de bevindingen van BMJ. Hij besteedt ook geen enkele aandacht aan alle beperkingen van de cijfers in het rapport die wel op de website van Clinical Evidence genoemd worden, zoals:

it has both benefits and limitations: for example, an intervention may have multiple indications, and may be categorised as ‘Unknown effectiveness’ for one condition but ‘Beneficial’ for another.

Bepaalde middelen komen meerdere keren in het handboek voor, omdat er gekeken wordt per indicatie. Ook de categorie met onbekende effectiviteit wordt nader uitgelegd, ‘de helft’ waarover Richter op tv opmerkt dat er geen enkel bewijs achter zit:

‘Unknown effectiveness’ is perhaps a hard categorisation to explain. Included within it are many treatments that come under the description of complementary medicine (e.g., acupuncture for low back pain and echinacea for the common cold), but also many psychological, surgical, and medical interventions, such as CBT for depression in children, thermal balloon ablation for fibroids, and corticosteroids for wheezing in infants.

Toch aardig dat we iemand uit de alternatieve hoek nu zien toegeven dat acupunctuur voor lage rugpijn en Echinacea voor verkoudheid inderdaad tot kwakzalverij gerekend moeten worden 😉

Belangrijker voor de impact van de studie is de volgende opmerking:

AND WHAT DO OUR CATEGORISATIONS MEAN IN RELATION TO CLINICAL PRACTICE?
We would like to emphasise that our categorisation of the effectiveness of treatments does not identify how often evidence-based and non-evidence-based treatments are used in practise. We only highlight how evidence based treatments are for certain indications, based on randomised controlled trials. As such, these data reflect how different treatments stand up evidence-based medicine and are not an audit of the extent to which treatments are used in practice or for other indications not assessed in Clinical Evidence.

Om beter inzicht te krijgen wat het belang van deze beoordeling is voor de klinische praktijk, wil je weten hoe het zit per behandeling en welke het eigenlijk zijn. Die informatie zit echter achter een ‘betaalmuur’ bij Clinical Evidence. Eerlijk gezegd vind ik dat niet zo fraai. Op zijn minst hadden ze bijvoorbeeld van de meest voorgeschreven medicijnen de beoordelingen gratis toegankelijk kunnen maken.
Uit een oudere versie (2004) die online te vinden is (pdf), kun je inderdaad opmaken dat de beoordeelde treatments niet allemaal bestaan uit pillen, drankjes en zalfjes. Bij het onderwerp malariapreventie staat bijvoorbeeld dat er voor het dragen van lange kleding door volwassen om besmetting te voorkomen geen RCTs te vinden waren en dus valt die ‘behandeling’ in de categorie unknown effectiveness. Er zitten ook allerlei alternatieve behandelingen bij. Soms zelfs voor ziektes waar ik nog nooit claims voor was tegengekomen; ik noem als voorbeeld maar het gebruik van acupunctuur bij sikkelcelanemie. Als je even zoekt, zie je dat er inderdaad wel ‘onderzoeken’ naar zijn gedaan, meestal niet veel meer dan een case report en volgens de zelf opgestelde criteria zet Clinical Evidence het daarom bij unknown effectiveness. Ook iets als hypnotische suggestie voor de behandeling van wratten staat erin (geen bewijs van werkzaamheid). Waarom neem je zoiets eigenlijk op in een lijst die bedoeld is om artsen te informeren over de huidige stand van wetenschappelijk bewijs voor behandelingen? Zouden er potentiële lezers zijn die voor het lezen denken dat hypnose wél helpt bij wratten?

De conclusie dat het grootste deel van alle reguliere medische behandelingen eigenlijk kwakzalverij is (en dat medische wetenschap zelfs een pseudowetenschap zou zijn) kun je dus absoluut niet trekken. Wat je wel kunt concluderen is dat veel alternatieve behandelaars er geen been in zien om het publiek te verwarren met een verkeerde weergave van dit soort cijfers en erg snel tevreden zijn met informatie die in hun straatje past. Ze vergeten er gemakshalve bij te zeggen dat er voor hun hobby’s nul komma nul bewijs is van vergelijkbaar niveau. Een andere conclusie mogen ze bij RTL trekken: het is onverantwoord om iemand als Richter een platform op televisie bieden als (nep)expert.

Update 14-11-2013: Eerlijk is eerlijk, Richter heeft mijn commentaar op zijn uitspraken wel opgepikt en zijn uitspraken in een latere aflevering rechtgezet.

Naschrift. De bron van het verhaal is waarschijnlijk ‘Medisch Dossier’ van mei 2013:
“Is geneeskunde een wetenschap?”
. Dat is weer een vertaling van het artikel “Junk Medicine” uit het Engelse blad ‘What Doctors Don’t Tell You’ van Lynne McTaggart. Dat artikel zal in Engelse versie wel in 2012 zijn uitgekomen en dat verklaart de weinig actuele weergave van de cijfers van Clinical Evidence.
Ik wijs nog maar even op de website ‘What “What Doctors Don’t Tell You” Don’t Tell You’ van Engelse skeptici voor besprekingen van dat blad.

Filed Under: Gezondheid, Wetenschap Tagged With: Clinical Evidence, dubbelblind, Erik-Alexander Richter, kwakzalverij, medicijnen, rct, RTL

Gelezen: Philosophy of Pseudoscience

23 October 2013 by Pepijn van Erp 21 Comments

Karl Popper (1902-1994)
Karl Popper (1902-1994)

Het demarcatieprobleem is iets waar skeptici al dan niet bewust voortdurend mee bezig zijn: het scheiden van wetenschappelijke kennis en alles wat niet wetenschappelijk onderbouwd is of als pseudowetenschap gezien moet worden. De naam van Karl Popper is er nauw mee verbonden sinds hij falsifieerbaarheid als demarcatiecriterium voorstelde: een wetenschappelijk theorie moet toetsbaar zijn en op grond van het falen van een toets worden verworpen. Dit idee leeft nog steeds, maar kreeg al snel kritiek.Thomas Kuhn liet zien dat er ook allerlei sociale en psychologische aspecten een grote rol spelen in het wetenschapsbedrijf.  Veel van wat we als wetenschap beschouwen is niet toetsbaar en wetenschappers blijken in praktijk niet te werken volgens het ideaal van Popper, met het eerst opstellen van hypothesen en die onderuit proberen te halen met zo scherp mogelijke tests.
Larry Laudan verklaarde in 1983 het demarcatieprobleem min of meer dood. Het falsificatieprincipe van Popper was niet afdoende gebleken en andere criteria waren ook niet te bedenken om het onderscheid verantwoord te maken. Veel filosofen delen dit inzicht en het demarcatieprobleem verdween onder in de la. Ten onrechte volgens Massimo Pigliucci en Maarten Boudry. Zij stelden daarom een stevige essaybundel samen onder de titel Philosophy of Pseudoscience – Reconsidering the Demarcation Problem met stukken van 26 verschillende auteurs, die wel wat te zeggen hebben over pseudowetenschap.

Eigenlijk valt het met die doodverklaring van het demarcatieprobleem door Laudan wel mee. Hij stelt dat de term pseudowetenschap niet zinnig te gebruiken is om hele takken van sport weg te zetten, maar dat critici (of skeptici) zich zouden moeten beperken tot het weerleggen van concrete uitspraken of artikelen. Dus niet ‘frenologie is een pseudowetenschap en het is daarom idioot er nog tijd en energie aan te verspillen’ maar eerder ‘in artikel X beweert auteur Y dat deze typische vorm van de schedel wijst op gedrag  Z, maar dat klopt niet vanwege A-B-C’. Dit laat ook meteen zien wat het nadeel is van die aanpak: ook al hak je één kop van de pseudowetenschappelijke Hydra af, het belet niet dat er meteen een soortgelijke uitspraak zijn kop opsteekt. Er is duidelijk behoeft aan een grondigere aanpak van pseudowetenschappen, want sommige vormen een gevaar voor individuen of kunnen andere vervelende effecten in onze samenlevingen hebben.
Een probleem met een strikte opvatting van falsifieerbaarheid is dat sommige pseudowetenschappen er gewoon door heen fietsen. Astrologie doet bijvoorbeeld niet veel anders dan toetsbare uitspraken, alleen scoren die niet beter dan wanneer je naar willekeurig gekozen uitspraken zou kijken. Toetsbaar ja, maar doorstaan van serieuze tests ho maar. Anderzijds kun je afvragen of je iets als snaartheorie ooit wel tot toetsbare uitspraken zal leiden. Zou je het daarom vooralsnog niet als pseudowetenschap moeten kwalificeren? Of wat minder denigrerend, als ‘protowetenschap’? Er komt dus wat meer bij kijken dan alleen die falsifieerbaarheid en wetenschappers zullen als je ze er naar vraagt vaak elementen noemen van een lijstje als: interne consistentie, overeenstemming met aangrenzende vakgebieden, reproduceerbaarheid van data,  betrouwbaarheid van methoden, hoe gaat men om met kritiek, enzovoort.

Een afbeelding die Pigliucci gebruikt om
Een afbeelding die Pigliucci gebruikt om

Zo’n multidimensionale aanpak zien de schrijvers van het eerste deel (waaronder Pigliucci en Boudry zelf) als uitweg. Als voorbeeld geeft Pigliucci een indeling van een aantal (pseudo)wetenschappen op twee assen, waarmee je min of meer een onderscheid kunt maken, die niet mogelijk was met het criterium van Popper (zie hiernaast). Anderzijds stelt hij wel vast dat het trekken van een scherpe grens nog steeds niet zo makkelijk is. Het indelen van de onderwerpen op meer assen geeft echter weer andere inzichten. En door een aantal van die verschillende manieren om er naar te kijken te combineren zul je onder wetenschappers toch redelijk snel consensus bereiken of iets serieus te nemen wetenschap is of niet.

Wat ook naar voren komt is dat pseudowetenschap vaak een temporeel aspect heeft. Iets wat als wetenschap start, kan in de loop van de tijd in pseudowetenschap ontaarden (bijvoorbeeld koude kernfusie). Pseudowetenschappers houden hardnekkig vast aan hun idee ondanks al het tegenbewijs. Het is logisch dat de lat voor het ogenschijnlijk wel serieuze ‘bewijs’ dat deze onderzoekers nog wel eens aanleveren, steeds hoger wordt gelegd. Na voortdurend falen bij tests, wordt zo’n idee moeilijker te aanvaarden en hoe buitengewoner de beweringen hoe buitengewoner het bewijs ervoor moet zijn.
Andersom kan het echter ook. Iets dat door wetenschappers eerst als pseudowetenschap weggezet wordt, kan na steeds beter ondersteunend bewijs geaccepteerd worden als serieuze wetenschap, zoals de geschiedenis van de evolutietheorie laat zien. In het boek beschrijft Michael Ruse die ontwikkeling in From Pseudoscience to Popular Science, from Popular Science to Professional Science.
De strijd tussen de evolutietheorie en creationisme wordt overigens vaak aangehaald door verschillende auteurs. Dat is niet zo verwonderlijk, gezien de verhitte strijd die daarover in de Verenigde Staten tot aan het Hooggerechtshof is gevoerd. Een meer Europese tegenhanger ontbreekt, maar misschien is er ook niet zo eenvoudig een kwestie te noemen waarover aan onze kant van de Atlantische oceaan recent nog vergelijkbaar fel gedebatteerd is. Een paar stukken vond ik minder sterk of sprongen er qua onderwerp wat vreemd uit. Toevallig of niet, allemaal in het deel dat True believers and their tactics heet. Een stuk van Jean Paul van Bendegem over hoe discussies met pseudowetenschappers kunnen verlopen en wat voor soort argumentatie je in de strijd zou kunnen werpen, is aardig, maar niet erg specifiek voor pseudowetenschap.
Een ander artikel dat wat te formeel aandoet, gaat over klinische trials en waarom die al dan niet ingezet kunnen worden voor de evaluatie van alternatieve behandelwijzen. Het is een formele inkadering van een (dubbelblind) onderzoek, die op zich klopt, maar aan de belangrijkste praktische problemen mijns inziens te makkelijk voorbij gaat.  De schrijver van het stuk, Jesper Jerkert, probeert aan te tonen dat de bezwaren vanuit sommige alternatieve behandelwijzen tegen die trials niet opgaan, maar vergeet dat een RCT bij normaal medicijnonderzoek maar het laatste stukje van bewijs van een groter geheel is, dat begint met het aannemelijk maken dat een behandeling überhaupt zou kunnen werken. De belangrijkste alternatieve behandelwijzen komen juist graag met bewijs in de vorm van RCTs aanzetten, omdat je daar met een beetje geluk  (en eventueel wat gemanipuleer) aan significant positieve resultaten kunt komen. Een beetje moeilijk door te komen (vooral het begin) vond ik The case of Freud’s Sexual Etiology of the Neurose een stuk waarin Frank Cioffi (overleden in 2012) stevig afrekent met de wetenschappelijk  pretenties van de ideeën van Freud. Misschien moet je er ook gewoon wat meer in thuis zijn dan ik.

Philosophy of PseudoScienceNaast de filosofische stukken die het demarcatieprobleem theoretisch aanpakken, heb ik vooral de historische en sociologische stukken met veel plezier gelezen. Thomas Nickels geeft in The Problem of Demarcation een mooi overzicht van de geschiedenis van de problematiek en zet de ideeën van Popper, Imre Lakatos, Kuhn en Laudan op een rijtje (uiteraard komen Aristoteles en Wittgenstein ook even langs). Ook de bijdrage van Michael Shermer is lezenswaardig en biedt meer dan de andere stukken praktische handvatten om pseudowetenschap te herkennen.
Intussen zou je misschien denken dat Boudry en Pigliucci alleen mannelijke auteurs wisten te strikken, maar er staan ook paar zeer interessante stukken van vrouwen in. Noretta Koertge schrijft over het (meestal) ontbreken van een kritische gemeenschap bij de pseudowetenschappers in tegenstelling tot de echte wetenschappen waar kritiek georganiseerd is. Weer zo’n as waarop je de (pseudo)wetenschappen zou kunnen indelen in een multidimensionale aanpak. En Barbara Forrest tast aan de hand van Hume de grenzen tussen wetenschap en religieuze pseudowetenschap af.

Ik vergeet dan nog wat auteurs ( m/v) te noemen, maar het is lastig om in een korte bespreking dit boek volledig recht te doen. Daarvoor is het te rijk aan ideeën. Er is ook nog aandacht voor niet experimentele wetenschap en de cognitieve wortels voor pseudowetenschap (hoe komt het eigenlijk dat dat soort ideeën bij mensen opkomen en beklijven?). Het onderscheid tussen pseudowetenschap en echte wetenschap blijft een lastige kwestie. Dit boek probeert, in mijn ogen terecht, een gedegen analyse van het probleem hoger op de agenda te plaatsen. Het idee dat wetenschappers zo ook wel ‘zien’ wat echte wetenschap is en wat niet, is geen bevredigende oplossing. Het is niet zo dat dat oordeel nergens op gebaseerd is en dat er vaak vergissingen gemaakt worden, maar de impliciete uitgangspunten en redenaties die leiden tot dat oordeel mogen wel wat helderder verwoord worden. Er komen dan vast inzichten naar boven die in andere gevallen ook goed van pas komen. De gereedschapskist met instrumenten om pseudowetenschap te bestrijden kan best aangevuld worden met wat nieuwe ‘heavy duty tools’.

Het is geen makkelijk boek, maar voor iedereen die wat serieuzer wil nadenken over waar hij als skepticus mee bezig is, durf ik het toch aan te raden. Waar haal je immers de arrogantie vandaan het beter te weten dan al die zwevers om ons heen? 😉 De inleiding van het Engelstalige boek is overigens hier te lezen, dan kun je zelf nog een beter idee krijgen of het wat voor je is. Ten slotte nog een tip: in een podcast van Rationally Speaking spreekt Boudry over het boek, geïnterviewd door Julia Galef en … Pigliucci. Dat wordt gelukkig toch niet saai, omdat Pigliucci en Boudry het ook niet op alle punten met elkaar eens zijn. 

Gelezen: Philosophy of Pseudoscience 1
Gelezen: Philosophy of Pseudoscience 2

Filed Under: Algemeen, Pseudowetenschap, Wetenschap Tagged With: FILOSOFIE, Laudan, maarten boudry, Massimo Pigliucci, popper, pseudoscience, pseudowetenschap

  • « Go to Previous Page
  • Page 1
  • Interim pages omitted …
  • Page 13
  • Page 14
  • Page 15
  • Page 16
  • Page 17
  • Interim pages omitted …
  • Page 40
  • Go to Next Page »

Primary Sidebar

Steun ons via:
Een aankoopbol.com Partner (meer info)
Of een donatie

Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Skeptic RSS feed

  • Skepsis
  • Error
  • SBM
Gevaarlijke woorden
26 July 2026 - Ward van Beek

. Liegen zou sporen nalaten in taalgebruik. Maar met die pseudowetenschappelijke theorie wijst de Belgische misdaadauteur Piet Baete waarschijnlijk onschuldigen als daders aan, schrijven drie leugenonderzoekers in Skepter 39.2. Bruno Verschuere, Glynis Bogaard en Ewout Meijer beschrijven hoe pseudowetenschappelijke leugendetectie…Lees meer Gevaarlijke woorden › [...]

Op de paranormale beurs rolt de spirituele waarheid uit een printer
26 July 2026 - Ward van Beek

. De Paraview spirituele beurs is al meer dan 30 jaar een rondreizend gezelschap van waarzeggers, helderzienden en genezers. Vanachter stalletjes vertellen ze hoe de vork, spiritueel gezien, in de steel zit. Skepter was 5 april ter plaatse in Maarssen,…Lees meer Op de paranormale beurs rolt de spirituele waarheid uit een printer › [...]

Helpt een tweede taal tegen ‘breinveroudering’?
26 July 2026 - Ward van Beek

.Meerdere talen spreken beschermt tegen hersenveroudering’, kopten onder meer de Volkskrant, BNR en RTL Nieuws afgelopen november. Dat zou blijken uit nieuw onderzoek, gepubliceerd in het gezaghebbende vakblad Nature Aging. In een groep van maar liefst 86.149 deelnemers uit 27…Lees meer Helpt een tweede taal tegen ‘breinveroudering’? › [...]

RSS Error: Retrieved unsupported status code "404"

The FDA vs. Compounding Pharmacies: GLP-1 Edition
30 July 2026 - Scott Gavura
The FDA vs. Compounding Pharmacies: GLP-1 Edition

The FDA is determined to stop the sale of compounded GLP-1 drugs The post The FDA vs. Compounding Pharmacies: GLP-1 Edition first appeared on Science-Based Medicine. [...]

Does public health “need” MAHA? No more than medicine “needs” CAM!
27 July 2026 - David Gorski
Does public health “need” MAHA? No more than medicine “needs” CAM!

Last week, The Atlantic published an embarrassingly contrarian piece about how public health "needs" the "make America healthy again" movement. Public health needs MAHA only if it "needs" to integrate antivax and quackery into medicine and public health. Sound familiar? The post Does public health “need” MAHA? No more than medicine “needs” CAM! first appeared on Science-Based Medicine. [...]

Stephen Macedo And Frances Lee: Defend Your Essay That Dr. Jay Bhattacharya Would Restore Trust in Public Health
26 July 2026 - Jonathan Howard
Stephen Macedo And Frances Lee:  Defend Your Essay That Dr. Jay Bhattacharya Would Restore Trust in Public Health

Recente reacties

  • Hans1263
    on Maurice de Hond volhardt in leugens over Jaap van Dissel
    @Renate Zoals steeds betreft het bij De Hond amateuristische bemoeienis (of beter misschien: bemoeizucht) met aandachtsgebieden waarin hij a
  • Renate1
    on Maurice de Hond volhardt in leugens over Jaap van Dissel
    @ Hans, Inderdaad. Zie ook z'n gedoe met die iPad-scholen.
  • Hans1263
    on Maurice de Hond volhardt in leugens over Jaap van Dissel
    Dubieus en onbetrouwbaar, daar is alles mee gezegd.
  • Renate1
    on Maurice de Hond volhardt in leugens over Jaap van Dissel
    Met die Deventer moordzaak heeft de heer De Hond toch wel veel geloofwaardigheid verloren. Het is een ding om in
  • Hans1263
    on Maurice de Hond volhardt in leugens over Jaap van Dissel
    @Daniel Tuijnman Een vast patroon bij deze man. Wat denkt u van de gang van zaken omtrent de Deventer moordzaak?

Archief Kloptdatwel.nl

Copyright © 2026 · Metro Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in